Rotterdam lijdt aan vertrutting, niets kan meer

Burgemeester Aboutaleb (NRC Handelsblad, 20 augustus) lijkt de gedachte achter het vermaledijde ‘Meppel aan de Maas’ niet te begrijpen. Met de kwalificatie wordt bedoeld dat Rotterdam lijdt aan vertrutting en een stad van zero tolerance is geworden ‘waar niets kan’.

In de media is Rotterdam de stad geworden waar het altijd oorlog is. Aan die beeldvorming is in hoge mate bijgedragen door overijverige bestuurders die nadrukkelijk voorop hebben willen lopen in opsporingsmethodieken en controlemaatregelen en die daarbij herhaaldelijk de grenzen van de wet opzochten of bewust overschreden. Bekend zijn het inzetten van de mosquito tegen ‘hangjongeren’, het grootschalig en willekeurig verzamelen en langdurig bewaren van kentekengegevens, het afkondigen van samenscholingsverboden en het houden van algemene fouilleringsacties in ‘probleemgebieden’ zonder dat daar concrete aanleiding voor bestond.

In hetzelfde Rotterdam heb je tegenwoordig ‘als normale burger’ voor elk willekeurig akkefietje letterlijk binnen drie minuten een fikse bon aan je broek. Veiligheid lijkt een alibi geworden om in het dagelijkse leven zoveel mogelijk mensen op de vingers te tikken en te beboeten. Een overheid die zelf de wet aan haar laars lapt, of ‘oprekt’, kan natuurlijk op weinig bijval rekenen.

Repressie lokt verzet uit, het maakt van politieambtenaren een gehate beroepsgroep. Repressie is vooral ook funest voor het ervaren van een gevoel van vrijheid en ruimte; het heeft de dynamiek van een zelfgewenste wereldstad gesmoord en vervormd tot een onleefbare samenleving. Juist minder blauw op straat en minder publiekelijke scoringsdrift zijn nu essentieel om de balans te herstellen.

Nous Faes

Rotterdam