Politici staan aan de wieg van de pensioencrisis

Samen beheren onze pensioenfondsen een belegd vermogen van 700 miljard euro. Zoveel rijkdom. Toch moeten sommige van de zeshonderd pensioenfondsen de lopende uitkeringen per 1 januari aanstaande verlagen. Enkele honderden andere fondsen verkeren in de gevarenzone. Het nu aanwezige vermogen schiet tekort om alle bestaande verplichtingen tegenover de deelnemers na te komen. Vooral onder senioren is de onrust groot. Zij voelen de pensioencrisis onmiddellijk in hun portemonnee. Bij de veruit meest gebruikelijke pensioenregeling worden ook de al opgebouwde aanspraken van de nog werkende deelnemers gekort. Maar de massa van de werknemers ligt niet wakker van pensioenkwesties.

De nu ontstane situatie kent drie oorzaken. We leven steeds langer. De uitkeringen lopen dus langer door dan waarmee in het verleden, bij het vaststellen van de premiehoogte, rekening is gehouden. Anders gezegd, in het verleden waren de premies te laag. Ten tweede is de waarde van het belegde vermogen door de economische crisis aangetast, vooral na de val aan de aandelenbeurzen twee jaar geleden. De hoofdoorzaak ligt bij de manier waarop de toekomstige verplichtingen worden bepaald. Een fonds moet voor elke deelnemer becijferen in welke jaren hij of zij pensioen ontvangt. Stel, een bepaalde deelnemer heeft op dit moment al recht opgebouwd op 10.000 euro pensioen, uit te keren in 2020. Hoeveel moet het fonds daartegenover nu al als dekking in kas hebben? Dat hoeft geen 10.000 euro te zijn, want het geld kan nog tien jaar worden belegd. Bij een toekomstig rendement van 4 procent per jaar is het voldoende, wanneer het fonds in 2010 over 6.750 euro beschikt om deze deelnemer over tien jaar 10.000 euro te kunnen uitkeren. Bij nul procent rendement moet het volle bedrag van 10.000 euro echter nu al als dekking aanwezig zijn. Hoe lager de ‘interne rente’ is, waartegen de waarde van toekomstige uitkeringen ‘contant’ wordt gemaakt, hoe groter het vereiste fondsvermogen dus moet zijn. En daar zit hem de kneep. Volgens de door de Pensioenwet voorgeschreven methode moeten fondsen een dagelijks wisselende, risicoloze en momenteel historisch gezien extreem lage rente gebruiken om de ‘contante waarde’ van hun verplichtingen te bepalen.

De toezichthouder, De Nederlandsche Bank, eist dat het fondsvermogen minimaal 5 procent groter is dan de opgebouwde pensioenaanspraken. In jargon: de ‘dekkingsgraad’ moet ten minste 105 procent bedragen. Door de snel gedaalde rekenrente (zie figuur) zijn de pensioenverplichtingen recent omhooggeschoten, terwijl het belegde vermogen veel minder snel toenam. De dekkingsgraad van steeds meer fondsen zakte hierdoor tot beneden het minimaal vereiste niveau.

Er zijn – behalve bevriezing of zelfs verlaging van aanspraken – twee andere wegen uit de pensioencrisis. Ten eerste door over te stappen op een hogere rekenrente. Hoe hoger die is, hoe lager de toekomstige verplichtingen immers uitvallen, zodat de dekkingsgraad opfleurt. Deze oplossing vergt aanpassing van de Pensioenwet, terwijl deze nog maar kort geleden is ingevoerd met volle instemming van pensioenwereld en parlement. Het is niet sterk haar aan te passen, zodra de regels pijn doen. Bovendien verbetert de dekkingsgraad bij verhoging van de rekenrente tot de vroeger gebruikelijke 4 procent met slechts 10 tot 12 procentpunten. Daarmee is de pensioencrisis niet bezworen. Want fondsen rekenen bij de bepaling van hun toekomstige vermogen waarschijnlijk met te rooskleurige opbrengsten. Door een wereldwijd overschot aan besparingen staat de opbrengst van veilige beleggingen onder druk. Sommige economen verwachten daarom dat het beleggingsrendement de komende decennia lager ligt dan waaraan we de afgelopen kwart eeuw gewend zijn geraakt. Een lage rekenrente biedt enige garantie dat fondsbestuurders en deelnemers zich niet rijk rekenen en de rekening doorschuiven naar toekomstige generaties.

Belangenclubs van gepensioneerden pleiten voor premieverhoging, als alternatief voor beperking van de aanspraken of verhoging van de pensioenleeftijd. Maar de premies zijn sinds 2002 al sterk verhoogd. Dit stuwt de arbeidskosten op en schaadt de economie. De bonden van gepensioneerden wijzen erop dat tussen 1985 en 2000 – een periode met hoge rendementen – de pensioenfondsen zijn afgeslankt door onverantwoorde premieverlagingen en de toekenning van extra aanspraken aan de deelnemers. Destijds dreigde de overheid met een fiscale maatregel om ‘overschotten’ weg te belasten. Logisch dat fondsbestuurders beleid voerden om het belegde vermogen te drukken via premieverlaging. Juist de jaargangen die de afgelopen tien jaar met pensioen gingen (en hun werkgevers) hebben hiervan geprofiteerd. Gepensioneerden zouden van twee walletjes eten, wanneer ze nu niet via gekorte aanspraken bijdragen aan de oplossing van de pensioencrisis.

De geschiedenis leert dat onze politici aan de wieg van deze crisis staan. Eerst dwongen zij fondsen aan het eind van de vorige eeuw hun reserves te verminderen, daarna hebben zij welbewust de voorschriften voor de rekenrente aangepast. Hopelijk kiezen door geheugenverlies en populistische aandrift overmande parlementariërs niet voor extra steun aan de pensioenfondsen ten laste van de schatkist. Bij de banken was dit helaas onvermijdelijk om betalingsverkeer en kredietverlening op gang te houden. Bij de fondsen is dit niet het geval. Werknemers en gepensioneerden zullen op de blaren moeten zitten.