Om op te vreten

Waarin zijn mensen uniek? Deze week de laatste aflevering van de zomerserie: alleen de mens houdt van andere dieren.

Vertederd raken door elke opgewekte spreeuw die in beeld komt en tegelijk beseffen dat nooit één spreeuw de liefde zal beantwoorden omdat spreeuwen niet van mensen houden: het is vreemd hoe makkelijk een mens met deze asymmetrie leven kan.

Maar de mens is het gewend. Je hebt honden en katten die van mensen houden, een paar geiten, een papegaai, en dat is het wel zo’n beetje. Misschien nog een paar kraaien en een kauwtje. Sommigen beweren dat ook dolfijnen en orka’s op mensen gesteld kunnen raken. Maar meer is het niet. De meeste dieren houden absoluut niet van mensen, worden er niet door aangetrokken of geboeid en vinden het ronduit ongemakkelijk als er een mens hun blikveld binnenwandelt. Alleen een enkel roofdier veert er van op.

Een troost is dat de dieren ook onderling niet veel interesse vertonen, dat wil zeggen: niet over de soortgrens heen. Wat voelt een koe als zij een haas door de wei ziet lopen? Wat vindt een huismus van een nachtegaal? Een kip van een vlinder? Je komt er niet achter, maar je weet bijna zeker dat de vlinder niet meer emotie oproept dan een blad dat beweegt in de wind.

Er is geen dier dat zo in andere diersoorten geïnteresseerd is als de mens. En hij maakt bijna geen uitzondering. Lelijke dieren, vieze dieren, dieren die geen poot uitsteken, hij vindt ze allemaal interessant. Deze maand publiceert de Amerikaanse anthropologe Pat Shipman in Current Anthropology een hypothese waarin aan deze belangstelling nieuw gewicht wordt toegekend. Voor de gelegenheid heeft ze de interesse ‘the animal connection’ genoemd.

Het is een heel verhaal geworden en de consequenties die Shipman ziet zijn niet mis, maar het begint met een alledaagse waarneming die niet valt te negeren: dat over de hele wereld mensen alle denkbare soorten dieren als huisdier in het gezin hebben opgenomen. Niet alleen katten en honden, parkieten en kanaries, maar ook buidelratten, borstelratten, neusberen, kangoeroe, luiaards, herten, tapirs, eenden, je kunt het zo gek niet verzinnen. Het is zó gewoon dat bijna niemand ziet hoe bijzonder het is. Er is geen dorp te vinden zonder dorpelingen die huisdieren houden. Denk ook aan de Papoeavrouw die een biggetje de borst geeft en de Surinamer die met zijn zangvogel uit wandelen gaat.

Anderzijds vertonen de dieren zelf niet de minste behoefte om dieren van een andere soort te verzorgen, te strelen of toe te spreken. ‘Cross-species alloparenting’ komt onder dieren in de vrije natuur praktisch niet voor, noteert Shipman. (Al circuleert op YouTube een filmpje van een leeuwin die een antilope verzorgt.)

Waar die eigenaardige menselijke interesse voor het dier vandaan komt staat niet vast, maar Shipman heeft er wel gedachten over. Ze stelt zich voor dat de mensachtige voorloper van de mens, van huis uit vruchteneter, op een zeker moment belangstelling kreeg voor het eten van aas, maar alleen met de al bestaande gespecialiseerde aaseters kon concurreren door werktuigen in gebruik te nemen. Stenen met scherpe kantjes, zeg maar. Toen de aasetende mensachtige van lieverlee ook trek kreeg in warm vlees moest hij de concurrentie aan met de al bestaande gespecialiseerde roofdieren. Daarin slaagde hij door ongewoon veel kennis te vergaren over het gedrag van de prooidieren die hij wilde verschalken en het gedrag van de roofdieren die hij te slim af moest zijn. Dáár komt die interesse vandaan. Door taal en tekens te ontwikkelen kon de mens zijn verworven kennis bewaren en doorgeven.

De derde grote foef die de mens zo hoog op de evolutionaire ladder bracht, het domesticeren van dieren, ziet Shipman een beetje als de voortzetting van diplomatie met andere middelen. Communicatie op ander niveau. Ze maakt nogal een punt van de waarneming dat de eerste gedomesticeerde dieren bestonden uit honden, “die notoir ongeschikt zijn als stapelvoedsel”. Ze wil maar zeggen dat het eerste gedomesticeerde dier werd ingezet als werktuig, niet als voedsel. De vriend kreeg een taakje.

Het domesticeren als zodanig kwam voort uit de natuurlijke neiging van de mens om dieren in huis te halen, onderstreept Shipman, daarbij de negentiende-eeuwse antropoloog Francis Galton aanhalend. We begrijpen: eerst was er de liefde en sympathie voor het dier, pas later kwam het nuttig gebruik. Daarom ook kan de domesticatie van planten (zoals rogge en tarwe) niet op een lijn worden gesteld met de domesticatie van dieren want tussen planten en hun kwekers ontstaat nooit een wederzijdse individuele band. Daar geldt vanaf het begin alleen de nutsoverweging.

Of het allemaal hout snijdt – wie zal het zeggen. Maar wie zou niet graag geloven dat de mens het varken in de eerste plaats voor de gezelligheid in huis haalde en pas later op de gedachte kwam om het op te eten? Het lijkt een rare draai, maar in Frankrijk kun je nog vandaag boeren ontmoeten die duiven fokken voor de gezelligheid én voor de consumptie. “Eerst zijn ze lief, dan zijn ze lekker”. Poolreizigers als Amundsen aten hun beminde en gekoesterde sledehonden op zodra ze niet meer nodig waren en gaven hoog op van smaak en sappigheid van het vlees. Bedenk ook dat kleine kinderen en dieren die écht onzettend lief zijn ‘om op te vreten’ worden gevonden. Het opeten hoeft de idylle ook helemaal niet te verstoren, zou de Duitse kannibaal Armin Meiwes zeggen.

Toch blijven we zitten met een andere unieke menselijke eigenschap: te kunnen genieten van het lijden van dieren – overtuigend in beeld gebracht in klassieke Japanse films en natuurlijk in de Spaanse arena. Eeuwenlang heeft ook de Nederlander genoten van het katknuppelen, ganstrekken, berendansen en opblazen van kikkers. We vinden de sporen terug in het epos Van den vos Reynaerde en in de nare plaatjes van de nare Wilhelm Busch. ’t Is een vraag die Shipman niet te binnen geschoten is, maar je zou willen weten of dit ook oeroude wijdverspreide menselijke emoties zijn. En of ze binnen één mens zijn te verenigen met de liefde voor het dier. Dan steekt de belangstelling voor het dier nog unieker in elkaar dan het al leek.