Nieuwe geneesmiddelen ontwikkel je het best zonder staatsbemoeienis

Met het sluiten van Organon in Oss is het logisch dat die plaats daarvoor iets terug wil. Maar een lifescience-campus moet er niet komen. Zo’n campus is alleen levensvatbaar in de nabijheid van een universiteit.

Johan Heilbron is hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en het CESSP in Parijs.

Met de aangekondigde sluiting van de onderzoeksfaciliteiten van het voormalige Organon in Oss heeft de Nederlandse kenniseconomie een nieuwe tegenslag te verduren gekregen. In totaal verdwijnen meer dan 2.000 banen, ongeveer evenveel als de totale personeelsomvang van de Rotterdamse Erasmus Universiteit. Organon heeft in zijn meer dan tachtigjarige bestaan een naam opgebouwd, eerst als producent van insuline en geslachtshormoon, in 1962 met één van de eerste anticonceptiepillen en sinds 1974 met het spiraaltje.

Toen het hoofdkantoor van Organon in 2002 verhuisde naar New Jersey, het centrum van de grootste farmaceutische ondernemingen in de wereld, werd het naar verhouding kleine bedrijf kwetsbaarder. In zekere zin viel het doek in 2007, toen onverwacht werd afgezien van het plan om Organon naar de beurs te brengen en het bedrijf in plaats daarvan door AKZO voor 11 miljard aan Schering-Plough werd verkocht. Aandeelhouders ontvingen dat jaar 50 procent meer dividend, maar de toekomst van Organon was er niet rooskleuriger op geworden.

Schering-Plough fuseerde binnen twee jaar met Merck tot MSD, één van de grootste farmabedrijven ter wereld. Behalve de onderzoeksafdelingen van Organon sluit MSD ook het in 2003 opgerichte biotechbedrijf Nobilon in Boxmeer alsmede nog zes van zijn 34 onderzoekscentra elders in de wereld.

Merck heeft op het gebied van vaccins een grote traditie en slaagt er in vernieuwend te blijven, zoals met de recente vaccins tegen baarmoederhalskanker en genitale wratten. Meer problemen heeft Merck, zoals de gehele farmaceutische industrie, op het terrein van geneesmiddelen, waar patenten verjaren en grote doorbraken de laatste tien jaar zijn uitgebleven. Dat leidt tot een verhevigde concurrentie van

Vervolg Organon: pagina 2

De overheid staat te veel bloot aan lobby’s voor een goede keuze

goedkope, generieke medicijnen en heeft bij grote farmaceutische bedrijven als Pfizer, Novartis, GSK en Merck de angst aangewakkerd dat succesvolle ‘blockbusters’ zullen uitblijven. ‘Blockbusters’, gepatenteerde geneesmiddelen met een omzet van meer dan een miljard per jaar, zijn nodig om het onderzoek op peil te houden en gelijktijdig aan marktverwachtingen van investeerders te voldoen.

De rol van investeerders en aandeelhouders is een andere factor in het spel rond Organon. Met de nadruk op het creëren van aandeelhouderswaarde op korte termijn, kunnen grote ondernemingen steeds moeilijker activiteiten financieren die niet op die korte termijn substantieel bijdragen aan het rendement van de onderneming. Aandeelhouders in bedrijven die aan de beurs genoteerd zijn, zijn van nature meer in de kortetermijnvooruitzichten geïnteresseerd dan in het op langere termijn leveren van vaccins en geneesmiddelen die wereldwijd de gezonde ontwikkeling van mensen bevorderen. De toegenomen gerichtheid op aandeelhouderswaarde op korte termijn leidt ertoe dat grote ondernemingen minder reserveren voor langetermijninvesteringen met groter risico. Het concentreren, inperken of afstoten van onderzoeksafdelingen past in deze strategie en heeft ertoe geleid dat grote ondernemingen een afnemend aandeel hebben in het ontwikkelen van de meest innovatieve geneesmiddelen en vaccins, waar de grootste behoefte aan is. Tevens bereiken daardoor steeds minder geneesmiddelen en vaccins, die essentieel zijn voor de volksgezondheid, de mensen die ze het meest nodig hebben. Dat moet veranderen in het belang van de volksgezondheid wereldwijd, en daarvoor is innovatie onontbeerlijk.

Innovatie komt door deze ontwikkeling steeds vaker tot stand buiten grote ondernemingen om, doorgaans in netwerkachtige structuren rond kennisinstellingen en kleine en middelgrote gespecialiseerde bedrijven, vaak in nauwe samenwerking met en gesteund door nationale overheden. Grote, kapitaalkrachtige ondernemingen laten riskante, langetermijnprojecten over aan dynamische bedrijfjes, waarvan ze de producten pas kopen als die voldoende belofte hebben.

Organon heeft deze ontwikkeling te laat onderkend en nagelaten te kiezen. AKZO is daar als moederbedrijf ook niet behulpzaam bij geweest, want dat heeft Organon verkocht, blijkbaar zonder aan de verkoop voorwaarden te verbinden voor onafhankelijkheid, kennisbehoud, locatie of werkgelegenheid. Ook de overheid heeft niets ondernomen toen Organon werd verkocht. De heersende gedachte was dat de overheid geen industriepolitiek behoort te bedrijven en zich niet dient te bemoeien met keuzes van ondernemingen.

In hun rapport Innovatie in Nederland hebben de economen Bas Jacobs en Jules Theeuwes al in 2004 het gebrek aan innovatief vermogen in Nederland in verband gebracht met het feit dat zowel klassiek links als conservatief rechts een zeer moeizame verhouding hebben met innovatie: „De met innovatie gepaard gaande destructie, onzekerheid en ongelijkheid wordt door klassiek links als maatschappelijk zeer onwenselijk ervaren. Conservatief rechts heeft ook niets met innovatie of innovatiebevorderend beleid want dat ondermijnt de marktpositie van vele bedrijven en welgestelden die nu ongehinderd kartels kunnen vormen en markten kunnen verdelen.” Ze besloten hun analyse met de voorspelling als volgt: „Zolang conservatieve elementen aan zowel de linker- als rechterzijde van het politieke spectrum feitelijk in staat blijven om de status quo te handhaven, zal het met de innovatiekracht van Nederland niet goed komen.”

Innovatie staat niet alleen op gespannen voet met gevestigde belangen en heersende opinies, het is bovendien een bij uitstek onzeker en onvoorspelbaar proces. Innovatie komt, zoals A. Benedictus in deze krant schreef, voort uit „een soort laagdrempelig pingpongproces tussen investeerders, onderzoekers en ondernemers” (NRC Handelsblad, 15 juli). Vanwege de onvoorspelbare uitkomsten hiervan zijn overheden niet in staat om verantwoorde keuzes te maken voor bepaalde producten of innovatiedomeinen en dat moeten ze ook niet doen – noch moet dan van hen worden gevraagd. Niet alleen ontbreekt de kennis die daarvoor vereist is, overheden staan bovendien bloot aan lobby- en pressiegroepen, zodat de kans groot is dat politieke keuzes uiteindelijk de lobbymacht van gevestigde partijen zullen belonen. Die komt zelden overeen met hun innovatieve vermogen.

Overheden kunnen op dit gebied derhalve het beste afzien van inhoudelijk beleid en zich beter toeleggen op het scheppen van voorwaarden voor onderzoek, innovatie en ondernemerschap. Dat was ook het advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringbeleid (WRR) in het rapport Innovatie vernieuwd (2008). Een initiatief als het Top Instituut Pharma staat haaks op deze gedachte.

Dat wil geenszins zeggen dat de overheid geen helpende hand kan bieden. In de eerste plaats zou het kabinet in dit specifieke geval al in een eerdere fase hebben moeten opkomen voor het behoud van hoogwaardig kenniswerk.

Een tweede initiatief dat de overheid zou kunnen ontplooien, is de vorming van een groepje van deskundigen, exclusief gerekruteerd uit de beste innovatieve bedrijven, dat zich buigt over de toekomst van deze sector in Nederland. Dit groepje zou binnen weken, niet maanden, een voorstel moeten doen of een lifesciencecampus bijdraagt aan de Nederlandse kenniseconomie. Dat zo’n campus in Oss zou moeten worden gevestigd, ligt niet voor de hand. Voorwaarde voor een levensvatbare campus op dit terrein is de nabijheid van één of meerdere universiteiten en van bedrijven die op dit gebied actief zijn.

Voor geen van beide initiatieven hoeft de overheid zich inhoudelijk in te laten met vragen omtrent de prioriteiten binnen de farma- of biotechsector in ons land. Na het genoemde WRR-advies heeft ook buitenlandse literatuur laten zien dat daaraan onontkoombare bezwaren kleven.