Niemand kon om hem heen

Sinds die houdgreep in 1964 was judoka Anton Geesink peetvader van de sport in Nederland.

De radio kraakte, maar de spanning die op 23 oktober 1964 ’s ochtends even na zeven uur vanuit het verre Tokio naar Nederland werd overgebracht is historisch. Er leek geen eind te komen aan de dertig seconden waarin judoka Anton Geesink zijn Japanse tegenstander Akio Kaminaga in een houdgreep hield. De euforie over de eerste gouden medaille voor een Nederlandse judoka bij de Olympische Spelen werd die dag gegraveerd in het geheugen van miljoenen Nederlanders. Wat overheerste was het collectieve besef dat een groot kampioen was opgestaan. Een voorbeeld dat in Nederland velen aan het judoën heeft gekregen.

Anton Geesink, die gisteren na een kortstondig ziekbed op 76-jarige leeftijd overleed, zou nadien nog vaak van zich doen spreken. Hij was een man om wie je, zowel letterlijk als figuurlijk, moeilijk heen kon. Zijn erelijst met 21 Europese, 16 Nederlandse, één olympische en twee wereldtitels is nooit overtroffen. Hoe goed de Nederlandse judoka’s nadien ook gepresteerd hebben, Geesink was en bleef de beste. En dat wilde hij weten ook. Welke functies hij nadien ook bekleedde, Geesink gedroeg zich altijd als de kampioen. Zijn adagium was: If you want to be a champion, you have to behave like a champion. Het werd zijn lijfspreuk, uitgesproken in sappig Utrechts. Want ook dat was Geesink: een man die zijn afkomst uit de volksbuurt Wijk C nooit verloochende. Een zoon van de stad, die hem eerde met een straatnaam.

Nadat Geesink zijn sportcarrière had vervolgd met worsteldemonstraties en enkele onbeduidende filmrollen, trad hij in 1987 toe tot het Internationaal Olympisch Comité (IOC). Een omstreden sportbestuurder was geboren.

Vervolg Geesink: pagina 11

Judoka Geesink was ook omstreden bestuurder

‘Op zijn twaalfde verliet Geesink de school en stond hij al aan de metselbak’, schreef Guus van Holland tien jaar geleden in deze krant. ‘Werken in weer en wind, vroeg opstaan en weinig geld verdienen. Voetballen en judoën deed hij het liefst. Hij stond bekend als een technische judoka, geen wildebras, maar een beheerste judoka die bijna onoverwinnelijk was, niet in het minst omdat hij letterlijk boven iedereen uitstak. Goudeerlijk, recht voor z'n raap en trouw als een hond, zeggen mensen die met hem opgroeiden, zoals Joop Mackaay, een oud-judokampioen.

Hij werd verliefd op Jansje, een meisje uit de buurt, omdat ze van dat mooie lange haar had. Met Jans bleef hij getrouwd, drie kinderen hebben ze („alledrie hebben ze gestudeerd”) en veel kleinkinderen. Jans week nooit van zijn zijde. Waar Anton ook naar toe reisde, Jans was erbij. Om te relativeren, om de zaak van een rustige kant te bekijken. „Ach, joh, maak je niet druk.”

Met zijn entree in het IOC begonnen de fricties, die tot zijn dood hebben geduurd. Henk Vonhoff, de toenmalige voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité, had zich opgeworpen als de man die de IOC-zetel van de overleden Kees Kerdel zou innemen. Een plan dat werd doorkruist door Juan Antonio Samaranch, de Spaanse IOC-voorzitter die er in 1964 hoogstpersoonlijk getuige van was geweest toen Geesink olympisch kampioen werd. Het had een onuitwisbare indruk gemaakt op de man die bij de Spelen in Tokio optrad als chef de mission van de Spaanse ploeg. Samaranch wilde meer oud-kampioenen in het IOC en het leek hem een goed moment Geesink te verkiezen boven een bestuurder die niet de taal van de sporter sprak.

Vonhoff boos, zijn vrienden bij het NOC ook. Het is nooit meer goed gekomen tussen Geesink en het NOC, dat later tot ergernis van de oud-judokampioen fuseerde met de Nederlandse Sport Federatie (NSF). Niet-olympiërs die meespraken over olympische zaken, het was Geesink een gruwel.

Geesink nam zijn taak als IOC-lid uiterst serieus. Als jongen zonder opleiding - hij was vanaf zijn twaalfde werkzaam in de bouw – kende hij zijn tekortkomingen. Geesink omringde zich om die reden altijd met adviseurs en zorgde ervoor dat hij formeel en vooral consciëntieus te werk ging. Zijn tegenstanders zouden hem nooit op formele gronden kunnen aanvallen.

Al zijn opvattingen schreef hij op, evenals zijn vele ideeën over good governance. Befaamd zijn de notities, beleidsplannen en vooral vele brieven die hij schreef.

Als IOC-lid ontpopte Geesink zich als een vrije geest en het geweten van de Nederlandse sportbestuurders. Als hem iets niet zinde, kwam Geesink in het geweer. Hij had een ingeboren afkeer van machtswellustelingen, mensen die hun functie bekleden uit eigenwaan. Het was dan ook geen wonder dat hij in conflict kwam met vrijwel alle voorzitters van het NOC en later NOC* NSF.

Legendarisch zijn de ruzies met Wouter Huibregtsen en Hans Blankert. Geesink maakte beiden in hun periode als voorzitter dermate wanhopig, dat zowel Huibregtsen als Blankert heeft geprobeerd hem uit het IOC te zetten. Huibregtsen poogde dat met stille diplomatie, Blankert kwam er openlijk voor uit. Geen van beiden slaagde in die opzet, simpelweg omdat Geesinks positie binnen het IOC onwrikbaar was.

Een vlekje op Geesinks lidmaatschap van het IOC was zijn betrokkenheid bij de omkoopaffaire ronde de Olympische Winterspelen in Salt Lake City (2002). Zijn naam werd genoemd, omdat in de boeken een donatie van 5.000 dollar aan de Stichting Vrienden van Anton Geesink was opgenomen. Geesink heeft evenwel kunnen duidelijk maken dat het een gift betrof als wederdienst voor een verblijf in Nederland van Tom Welch, de voorzitter van het kandidaatscomité. Geesink had geen cent in eigen zak gestoken. Hij had het geld gebruikt voor een auto waarmee hij een tour door de Verenigde Staten maakte om de olympische waarden uit te dragen. Hij kwam er vanaf met een schriftelijke waarschuwing van voorzitter Samaranch om in voorkomende gevallen wat voorzichtiger te opereren.

De stichting, die tot doel had om Geesinks werk als IOC-lid te bekostigen, werd later opgedoekt. Geesink kreeg vanaf dat moment een bijdrage van NOC*NSF, zodat hij zijn werkzaamheden kon voortzetten.

Geesinks laatste daad van verzet was zijn oproep aan het bestuur van NOC*NSF om op te stappen. Daar is nooit gehoor aan gegeven.