Kinderen maken je niet gelukkig

Mensen houden van hun kinderen, maar ze worden er niet gelukkiger van. Integendeel.

Heeft u kinderen? Dan is de kans groot dat u, als u de volgende alinea heeft gelezen, zult zeggen: “Triest voor die mensen, maar voor mij geldt het niet.” En de kans is ook ruimschoots aanwezig dat dat ten onrechte is.

Het gaat om het volgende. De meeste mensen willen kinderen. De meeste mensen verwachten dat kinderen krijgen hen gelukkiger zal maken. De meeste ouders van jonge kinderen zeggen ook dat die hen inderdaad gelukkiger hebben gemaakt. Maar uit onderzoek blijkt het tegendeel. Jonge kinderen knagen meer aan het geluk van hun ouders dan dat ze eraan bijdragen. De gelukkigste periode in het gemiddelde huwelijk is die vóór de komst van het eerste kind. Zodra mensen kinderen krijgen, worden ze minder gelukkig – dan vullen ze gemiddeld een wat lagere score in op vragen naar algemene tevredenheid met het leven en geluk. Dat is tijdelijk: zodra de kinderen het huis uit zijn neemt het geluksgevoel van de ouders weer toe.

Het is eigenlijk net als met vakantiereizen: mensen verheugen zich op zo’n reis, blijkt uit onderzoek, en kijken er met veel plezier op terug, maar tijdens de reis ergeren ze zich regelmatig en vinden ze er niet zoveel aan – wat ze vervolgens weer vergeten en/of wegrationaliseren.

Kinderen maken hun ouders gemiddeld niet vréselijk somber, en daardoor komt het negatieve effect ook weleens niet uit een onderzoek. Maar belangrijker: er is nog nooit bewijs gevonden dat jonge kinderen de gemiddelde mens gelukkiger zouden maken. Of, jawel, één keer, in een onderzoek dat een Schotse psycholoog in oktober vorig jaar publiceerde in Journal of Happiness Studies. Maar dat moest hij eerder dit jaar weer intrekken – er zat een fout in de data en na correctie hielden de resultaten van zijn onderzoek geen stand.

Dat jonge kinderen het levensgeluk van hun ouders verminderen is geen recent ontdekt verschijnsel. Het meeste onderzoek ernaar dateert uit de jaren zeventig en tachtig, toen veel psychologen het nog niet konden geloven en de studies zelf over wilden doen. Sindsdien stellen onderzoekers nog steeds met enige regelmaat vast dat kinderen niet gelukkig maken. Vijf jaar geleden bleek bijvoorbeeld nog uit een onderzoek onder bijna 10.000 Amerikanen (Journal of Health and Social Behavior) dat mensen met thuiswonende kinderen meer depressieve symptomen hebben – somberheid, angst, slecht slapen, geen energie, geen honger – dan mensen zonder kinderen. Er was gecorrigeerd voor zaken als opleiding en inkomen.

Gek genoeg is het verschijnsel nooit goed verklaard, constateren de Californische psychologen Sonja Lyubomirsky en Julia Boehm. Ze stelden het onlangs enigszins terzijde aan de orde in een discussie over menselijke basisbehoeften (Perspectives on Psychological Science, mei). Nu is de aard van het causale verband ook heel moeilijk vast te stellen, omdat het nauwelijks experimenteel te onderzoeken is, legt Boehm telefonisch uit: “Je kunt niet sommige mensen willekeurig toewijzen aan de groep die kinderen krijgt en andere mensen aan de groep die geen kinderen krijgt.”

Je kunt alleen mensen in verschillende levensfasen en levensomstandigheden met elkaar vergelijken, of mensen volgen in de tijd. Of onderzoeken hoe fijn mensen het vinden om tijd met hun kinderen door te brengen – bijvoorbeeld door hen een aantal keer per dag ‘op te piepen’ en te laten beschrijven waar ze mee bezig zijn en hoe prettig ze zich op dat moment voelen. “Daniel Kahneman heeft een onderzoek gedaan met die methode onder werkende vrouwen dat heel bekend is geworden”, zegt Boehm. “Daaruit bleek dat ze voor de kinderen zorgen ongeveer even prettig vonden als huishoudelijke arbeid, of naar het werk reizen.” En dat de moeders het vermoeidst en het meest geïrriteerd waren als ze thuis zaten met hun kinderen (Science, 2004).

Toch lijken veel ouders zelf helemaal niet te beseffen dat hun kinderen hen ongelukkig maken. Strikt genomen is dat besef overigens niet onderzocht, maar er is wel veel anekdotisch bewijs voor: als je mensen ernaar vraagt, zeggen ze meestal hoe blij ze van hun kinderen worden. En daaruit blijkt maar weer, schreef Roy Baumeister van Florida State University in 1991 in zijn boek Meanings of Life, hoe zeer de menselijke samenleving in staat is om grootschalige illusies in stand te houden. Hij noemde het verschijnsel de parenthood paradox.

Die roept allerlei vragen op. Hoe kunnen mensen zelf niet in de gaten hebben wat hen gelukkig maakt? Is het wel écht zo dat kinderen niet gelukkig maken, of klopt er toch iets niet met het onderzoek? Als kinderen niet gelukkig maken, waarom dan niet – betekenisvolle relaties zijn belangrijke bronnen van levensvreugde voor mensen, waarom zouden kinderen de uitzondering zijn? En, als kinderen inderdaad niet gelukkig maken, waarom blijven mensen dan denken dat het wel zo is – waarom blijven ze bijvoorbeeld kinderen willen?

Om met de eerste vraag te beginnen: dat mensen niet goed weten wat hen gelukkig maakt, is een goed gedocumenteerd verschijnsel. Daniel Gilbert van Harvard University in Cambridge schreef een populair-wetenschappelijk boek over de illusies en vertekeningen die ons daarbij in de weg zitten, Stumbling upon Happiness (2005). Mensen kunnen slecht voorspellen hoe ze zich in de toekomst zullen voelen, blijkt uit Gilberts onderzoek: we overschatten altijd hoe lang het effect van bijvoorbeeld een promotie, een winnend staatslot of een auto-ongeluk zal aanhouden.

Slechts drie pagina’s van Gilberts 280 bladzijden dikke boek gaan over de kinderkwestie en dat zijn de pagina’s waarover hij bij lezingen de meeste vragen krijgt, al heeft hij er zelf geen onderzoek naar gedaan. Zijn verklaring in het boek: het geloof in het idee dat kinderen gelukkig maken is een succesvol idee, dat alleen al blijft voortbestaan doordat mensen die erin geloven ook degenen zijn die kinderen krijgen.

Sindsdien heeft Gilbert nog meer gedachten aan het probleem gewijd en die staan allemaal, zo laat hij per e-mail weten, in een artikel dat hij op vaderdag 2006 in het tijdschrift Time publiceerde. Ten eerste: kinderen kosten hun ouders veel – onder meer ‘slaap en haar’, meldt de inderdaad kalende psycholoog – en wie ergens veel voor over heeft, rationaliseert dat meestal automatisch met de gedachte dat datgene dan wel erg gelukkig zal maken. Ten tweede: de (misschien schaarse) geluksmomenten die jonge kinderen wél geven, zijn zo mooi dat ze meteen veel getob doen vergeten. En ten derde hebben de meeste ouders van jonge kinderen nauwelijks nog tijd voor uitjes, reisjes en feestjes – en ‘als je nog maar één vreugde in je leven hebt, is dat natuurlijk meteen de grootste’.

Zelfbedrog én een veranderd leven, daar komt het ook volgens Roy Baumeister op neer. “Mijn verklaring is wel ingewikkelder geworden nadat ik zelf een kind had gekregen”, mailt hij. “De simpele verklaring was zelfbedrog. Mensen hebben de neiging om vervelende dingen te vergeten en hun geheugen zo te bewerken dat het aansluit bij hun algemene ideeën, zoals dat kinderen hen gelukkig maken. Een complexere verklaring is dat kleine kinderen – op zich een bron van vreugde en plezier – het grootste deel van je aandacht opeisen, zodat je als ouder andere aspecten van het leven verwaarloost, die dan verslechteren en je ongelukkig maken. Dus de directe effecten van kinderen zijn misschien wel positief (vandaar dat ouders dat zelf ook zeggen), maar de indirecte effecten kunnen negatief zijn.”

Een van die indirecte effecten: het krijgen van een kind maakt de relatie van de jonge ouders niet intiemer, zoals veel mensen denken, maar verslechtert die juist. Dat bleek bijvoorbeeld vorig jaar nog uit onderzoek van Amerikaanse psychologen die ruim 200 hoogopgeleide, blanke, religieuze pasgetrouwde stellen acht jaar lang onderzochten (Journal of Personality and Social Psychology). De stellen die een kind kregen, werden direct daarna minder tevreden met hun relatie; vooral de moeders klaagden over ruzie en communicatieproblemen. Bij de stellen die geen kind kregen, werd de relatie ook wel slechter, maar dat gebeurde veel geleidelijker.

Directe effecten zijn er trouwens ook, denkt Boehm. Voor kleine kinderen zorgen is nu eenmaal niet alleen maar leuk. “Het staat de vervulling van andere basisbehoeften in de weg”, zo formuleert ze het. De behoefte aan zeven à acht uur slaap per nacht natuurlijk, maar ook bijvoorbeeld de behoefte aan de status die een veeleisende, zich niet tot kantooruren beperkende baan met zich meebrengt – zo’n baan zit er vooral voor vrouwen niet meteen meer in. Daarnaast maken baby’s hun ouders vaak onzeker (‘doe ik het wel goed?’) en vergroten ze de behoefte aan veiligheid en de angst dat er iets gebeurt.

“Mijn favoriete redenering van het moment”, vertelt Boehms promotor en co-auteur Sonja Lyubomirksy daarover aan de telefoon, “is deze: alleen omdat iets in evolutionair opzicht gunstig voor ons is, hoeft het nastreven ervan ons nog niet gelukkig te maken. Eten maakt ons gelukkig, maar het maakt ons niet per se gelukkig om voedsel te vergaren, om naar de supermarkt te gaan, in de rij te staan en daarna ook nog eens te koken.” Die redenering volgend, zegt ze, hoeven we niet te verwachten dat het ons gelukkig maakt om kinderen op te voeden en groot te brengen, maar eerder dat we pas gelukkig worden als een bepaald doel is bereikt. “Als je kind afstudeert, of als je eerste kleinkind wordt geboren. Dan heb je pas echt succes, dan heb je je genen echt doorgegeven. Niet als je baby huilend in zijn wiegje ligt.”

Dan zouden kinderen dus vooral op de lange termijn positieve effecten hebben – als ze het huis uit zijn. En er is inderdaad wel onderzoek dat suggereert dat dat het geval is. Maar zeker is het niet: in het eerder genoemde onderzoek uit 2005, onder 10.000 Amerikanen, waren ouders met uitwonende kinderen bijvoorbeeld niet gelukkiger dan hun leeftijdgenoten die nooit kinderen hadden gekregen.

Nog een optie: vroeger, schrijven Lyubomirsky en Boehm, hoefden de ouders niet alleen voor de kinderzorg op te draaien, maar werkte een grotere groep mensen mee. Of ouders toen gelukkiger werden van kinderen? Onmogelijk te onderzoeken. Of mensen in collectivistische culturen gelukkiger worden van kinderen? Niet onderzocht.

En er ontbreekt nog iets aan de literatuur over kinderen en geluk, denken Boehm en Lyubomirsky. Er valt nog wel het een en ander te verbeteren aan het meten van geluk, zegt Boehm. “De meeste mensen zeggen dat hun kinderen geweldig zijn en dat ze zo blij met hen zijn, maar als ze op specifieke momenten moeten aangeven hoe ze zich voelen, blijken ze helemaal niet zo gelukkig. Daar zou het onderzoek zich nu op moeten richten.”

“Ik denk inderdaad”, zegt ook Lyubomirsky, “dat er iets op het niveau van meten aan de hand is dat we nog niet hebben ontdekt. Vluchtige momenten van geluk zijn heel moeilijk te vangen, maar om de een of andere reden zijn die juist van grote betekenis voor mensen als je ze allemaal bij elkaar optelt.”

Het is Britse onderzoekers vorig jaar al gelukt om een beginnetje te maken met het oplossen van dat probleem. Ze deden het onderzoek van Kahneman uit 2004, waarbij mensen op bepaalde momenten werden opgepiept waarop ze hun activiteit en gevoelens moesten noteren, nog eens over. Maar ze lieten hun proefpersonen niet alleen opschrijven hoe prettig die zich voelden, maar ook wat hun gedachten waren bij wat ze deden – hoe nuttig ze het vonden, hoe waardevol. Toen bleek tijd met de kinderen nog steeds iets ondergemiddeld prettig te voelen, maar mensen vonden die momenten wel iets bovengemiddeld waardevol. Mensen streven niet alleen geluk na, schreef Baumeister in 1991 al in Meanings of Life, maar ook betekenisgeving.

Lyubomirsky werkt momenteel ook aan een onderzoek met zo’n ‘pieper’, vertelt ze. “Samen met Laura Carstensen van de universiteit van Stanford. Zij heeft mensen 14 jaar lang gevolgd; om de vijf jaar piept ze hen een week lang zeven keer per dag op en dan moeten ze aangeven hoe ze zich voelen.” Maar die data zijn nog niet allemaal binnen. Lyubomirsky wil ook graag nog andere dingen uitzoeken over thuiswonende kinderen: “Maakt het uit hoe oud de kinderen zijn, of ze bij de ondervraagde zelf thuis wonen of bij de andere ouder, of ze misschien 40 jaar oud zijn en voor jou zorgen in plaats van omgekeerd, hoe de relatie tussen ouders en kinderen is?” Dat is allemaal nog helemaal niet bekend.

En als de kosten nou uiteindelijk inderdaad groter blijken dan de baten – zou dat voor veel mensen een reden kunnen zijn om maar geen kinderen te krijgen? Een Finse psycholoog ontdekte bijvoorbeeld onlangs dat ouders vooral voor een tweede kind kiezen, als hun eerste kind heel makkelijk was: sociaal, slim en een beetje lui (Developmental Psychology, juli). Als kinderen nou per definitie hun ouders voornamelijk in de weg blijken te zitten, wil dan niemand ze straks meer?

Dat gelooft Julia Boehm niet. “Sociale normen en onze biologie zetten ons ertoe aan om kinderen te krijgen. Dat is zo sterk, dat mensen zoiets niet zullen geloven of denken dat het voor henzelf anders zal zijn. Mensen willen ook een soort doel in hun leven, iets achterlaten, hun genen en hun waarden doorgeven.” Mannen willen méér kinderen, zo blijkt, als ze net aan hun eigen sterfelijkheid herinnerd zijn; voor vrouwen geldt dat ook, maar alleen als ze net gelezen hebben dat ze kinderen best met een baan kunnen combineren (Journal of Personality and Social Psychology, 2005).

“Vrouwen van een bepaalde leeftijd worden vaak geobsedeerd door het idee van kinderen”, zegt ook Lyubomirsky. “Kinderen krijgen is absoluut geen rationele beslissing. Je gaat geen kosten-batenanalyse maken. Je maakt een sprong in het duister en je moet er maar op vertrouwen dat het goed gaat.”

Roy Baumeister, Dan Gilbert en Sonja Lyubomirsky hebben kinderen. Julia Boehm niet, “maar ik ben ook nog jong”.