Inzicht en frustratie

Joris Luyendijk sluit de serie columns af waarin hij onderzoek deed naar de introductie van de elektrische auto en experimenteerde met nieuwe vormen van journalistiek. Een wekelijkse ‘papieren’ column ervaart hij als een keurslijf. Dit najaar komt er een ‘Supersite’.

Het begon met een verpletterende afwijzing. Op 10 maart 2009 kreeg ik een brief van de Nieman Foundation op Harvard University in Amerika. Voor het tweede jaar had ik alles op alles gezet om een Nieman Fellowship te winnen. Ik zou dan met 25 topjournalisten uit de hele wereld een jaar betaald colleges en seminars mogen volgen op Harvard. Een ‘Nieman’ is het hoogst bereikbare in de journalistiek, maar die brief van 10 maart 2009 maakte duidelijk: ze willen me niet.

Wat een klap. Wat nu?

Harvard kun je zien als de ultieme belichaming van de gevestigde orde, en ik besloot mijn therapie te zoeken in het andere uiterste; ik wilde een zo groot mogelijk risico nemen, in de hoop dat, net als bij beleggen, het rendement bij succes navenant groot zou blijken. Dan zou ik oprecht kunnen zeggen: wat een mazzel, achteraf dan, dat die fuckers op Harvard mij toen afwezen!

Een radicaal experiment dus. ‘Radicaal’ betekent ‘bij de wortels’, en daar moesten we het als zwaar belaagde kwaliteitsjournalisten volgens mij ook zoeken. Dit is het informatietijdperk. Waarom kunnen de brengers van kwaliteitsinformatie hun waren dan nauwelijks slijten? Alsof je in het stenen tijdperk je keien niet verkocht krijgt.

Zou het kunnen dat de kwaliteitsjournalistiek uitgaat van achterhaalde vooronderstellingen? Zulke stille aannames wilde ik opsporen en er bij de wortels uittrekken, het opengevallen gat als een bezetene bezaaien en begieten, en dan kijken wat er boven kwam.

Zoals iedere vrouw weet: een afgewezen man doet rare dingen – en dit was mijn coping mechanism. Het moest zo moeilijk mogelijk worden, en dus koos ik een onderwerp dat Superbelangrijk is, maar binnen de gangbare journalistieke methodes ook Supersaai: milieu en duurzaamheid. Daarover ging ik een column schrijven, en dan geen seculiere preek, waarbij ik de actualiteit aangreep om op superieure toon iets of iemand de maat te nemen. Nee, ik wilde concrete vragen beantwoorden: is de elektrische auto een goed idee en zo ja, waarom voeren we hem dan niet in?

Iedere week? – vroegen mensen ongelovig. Je gaat iedere week over de elektrische auto schrijven? Ik leverde destijds wel eens een stuk aan de Duitse krant Die Welt am Sonntag, en mijn redacteur in Berlijn mailde: ‘The electric car? This is tough. Why do you touch such a boring subject? You are still young, plz change your topic.”

Maar daar ging ‘uw correspondent’ vanaf april 2009 in dit weekblad. Tweeënvijftig columns later is het experiment nu halverwege. Ik was nog steeds liever op Harvard toegelaten, maar wat had ik daar veel gemist! Het journalistieke establishment – Harvard incluis – lijkt nog grotendeels te denken in systeemoptimalisaties: men neemt bestaande concepten van ‘nieuwsverhalen’ en van ‘informatie’ en benut dan de nieuwe technologie om nog beter te doen wat al gebeurde. Ik sluit mij aan bij degenen die denken dat er een systeemverandering aankomt: ‘journalistiek’ en ‘informatie’ krijgen een nieuwe betekenis.

Een voorbeeldje. De wetenschapsredacteur van de Engelse krant The Guardian heeft 30.000 volgers op Twitter. Als hij een onderwerp voor een verhaal heeft gekozen, twittert hij zijn volgers: wie heeft er tips? Is de eerste versie van zijn verhaal af, dan publiceert hij dat online en twittert: wie heeft er kritiek? En als zijn verhaal in de krant en op de site staat, twittert hij: het is af, wijs al je vrienden en contacten erop. Waarna het bezoek aan de site explodeert, want al die 30.000 volgers hebben zelf weer ieder honderden, zo niet duizenden volgers. Zo kan alles kantelen: de rol van de journalist, van lezers, van media.

Het is altijd moeilijk denkstappen te reconstrueren. Een inzicht is als een belangrijk kunstwerk: voordat het er is, kan niemand het bedenken. Maar is het er eenmaal, dan kan niemand zich voorstellen dat het er ooit nog niet was.

Dit najaar beginnen twee experts in webdialogen en ik met de tweede fase van mijn radicale experiment. Dan lanceren we namelijk een ‘Supersite’ (werktitel) over elektrische auto’s op het web.

Toen ik in april 2009 begon, had ik nog geen idee van die ‘Supersite’. Wel deed ik ontdekkingen en liep ik tegen hindernissen op. Een van de grootste frustraties: het idee was geweest samen met de lezer op te trekken. Ik wist bij aanvang niets van elektrische auto’s, evenmin als de gemiddelde lezer, maar samen zouden we door de maanden heen wijzer worden. Ik wilde iets opbouwen, maar ..., frustratie: wat te doen met lezers die later waren aangehaakt, die waren vergeten waarover het ging, die afleveringen hadden overgeslagen? Een artikel op papier heeft maar één ‘ingang’, namelijk de eerste regel, en daar moet iedereen doorheen, van trouwe lezers tot nieuwkomers, van leken tot experts. Gevolg: ik kon niet verder gaan, omdat ieder stuk moest uitgaan van kennisniveau nul. Gevolg: voor trouwe lezers ging het te langzaam, voor nieuwkomers te snel.

Niettemin bleken veel lezers bereid bij te dragen aan het journalistieke proces – een groot Inzicht. Experts stuurden tips, leken meldden wat ze wel en niet snapten. Ik kreeg, in ruil voor een dagvoorzitterschappen, twee elektrische scooters aangeboden. Omdat ik die als onafhankelijk journalist niet kon accepteren, organiseerde ik een scooterestafette voor lezers, die over hun ervaringen berichtten op de NRC-site. Met hulp van begeesterde lezers is er een ‘e-car scriptieprijs’ gekomen.

Al dit enthousiasme leek een breuk met een vooronderstelling in de journalistiek: de krant is een meneer, en ons publiek een stel zwijgende anoniemelingen aan de andere kant van de brievenbus.

Nog een Frustratie: het grote aantal experts rondom de elektrische auto. Dat klinkt raar, maar je ziet in de media over ieder onderwerp hooguit een handvol deskundigen. Dat zijn de mensen die opnemen als journalisten bellen, en die dan in staat zijn helder en kort een ‘quote’ te leveren. Deze blikvernauwing kun je journalisten niet verwijten: ze beheren grote portefeuilles en staan onder tijdsdruk. Hun oplossing is geregeld één expert een podium te geven, en daarna weer een andere als ‘tegengeluid’. Maar wat nu als een kwestie acht kanten heeft? En drie dimensies?

Waarmee je bij de volgende Frustratie belandt: er waren in de beeldvorming rondom elektrische auto’s in de afgelopen anderhalf jaar veel beweringen maar nauwelijks synthese. Het was een kakofonie, die deed denken aan de berichtgeving over ‘de’ islam, de Mexicaanse griep, Europa en het klimaat: veel incidenten en ‘geruchtmakende uitspraken’ – maar hoe zit het nou echt?

Alleen al in Nederland heb je rondom de elektrische auto honderden mensen met een relevante eigen specialisatie. Die zou je allemaal, regelmatig maar zeer gecondenseerd, willen horen. Waarover ze het oneens zijn, en vooral ook waarover er wel degelijk consensus is. Maar je kunt niet bij al die mensen langs, en ze steeds weer bellen als er wat gebeurt. Bovendien: dan investeer je maanden in zo’n inventarisatie, dan staat het een keer in de krant en poef, weg is het.

Ik weet nog hoe deze frustraties en inzichten door mijn hoofd spookten, toen ik afgelopen april naar het prestigieuze en desastreus slecht georganiseerde PEN writers festival in New York mocht, voor een debat over journalistiek. Daar ‘zag’ ik het opeens, misschien juist dáár, omdat ik dan maanden later in mijn prachtkrant kon schrijven: ‘Ik zag het licht in New York.’

Ik zat daar in een panel met Lewis Lapham, God in de Amerikaanse kwaliteitsjournalistiek, en Mary Anne Weaver van The New Yorker. Het was zo’n sombersessie, want in Amerika is de kwaliteitsjournalistiek vrijwel dood. Lapham en Weaver laakten vooral dat hun verhalen steeds korter moesten. Vroeger kreeg je in The New Yorker voor een verhaal soms wel 20.000 woorden – het equivalent van 60 bladzijden in een boek. Nu hooguit 6.000.

Mijn rol in het panel was vooral knikken, en dus had ik tijd mij af te vragen: waarom was die lengte nu zo belangrijk? Natuurlijk, omdat zo’n artikel per definitie twee dingen is: eenmalig en beperkt houdbaar. Weaver ging researchen in Pakistan, en hoe meer ruimte voor haar verhaal, hoe dieper ze kon gaan. Dan werd het gedrukt, en alles wat Weaver niet had gebruikt, kon ze weggooien.

En toen werd het me opeens zo helder. Op internet zijn verhalen niet meer beperkt houdbaar. Dat is de systeemverandering! In de krant geldt: morgen verpakken we de vis erin. Maar op het web kun je schrijven voor de eeuwigheid en iedere dag kun je tekst aanpassen, updaten, uitbreiden, verrijken. Dan krijg je dus wel to-taal andere verhalen!

Terug in het vliegtuig dacht ik: ja, daarover moet de volgende fase van dit experiment gaan. Je neemt een onderwerp, bijvoorbeeld elektrische auto’s. Dan bouw je op het web de hele bestaande kennisinfrastructuur na, waarmee dat landschap van betrokkenen, experts, belanghebbenden en geïnteresseerde leken maximaal navigeerbaar en toegankelijk wordt gemaakt. Mits ze meewerken, natuurlijk.

Bedenk wat dan kan. Je kunt op zo’n site beginnen met een intakegesprek: ben je leek, dan wil je waarschijnlijk eerst weten waarom zoveel mensen enthousiast zijn over elektrische auto’s. Heb je het liefst een filmpje, podcast, een analyse of een infographic? Wil je zien wat andere bezoekers de beste uitleg vonden, en wil je de vijfminutenversie, of die van een kwartier? Ben je al expert, dan wil je andere informatie, en klik je hier verder.

Als experts een stuk schrijven voor zo’n site, kunnen ze nuances verbergen achter hyperlinks, waardoor die stukken veel pakkender worden. Bezoekers kunnen zulke stukken van experts ‘raten’ naar begrijpelijkheid, zoals dat bij Amazon met recensies van bezoekers gebeurt.

Dan die veelheid aan experts. Wie weet valt dat voor een belangrijk deel zelforganiserend te maken. Je nodigt experts uit voor dialoogsessies op het web, waarbij ze op een moment dat ’t hun schikt, maar vóór een bepaalde deadline, reageren op een aantal stellingen, inclusief toelichtingen. Die reacties breng je samen in heldere mindmaps, waarmee de consensus onder experts zichtbaar wordt. Op die mindmaps kunnen andere bezoekers reageren, wat ook weer in mindmaps wordt geïntegreerd, en zo verder.

Zulke mindmaps kunnen leiden tot nieuwe vragen en verhalen, die door de tijd verder groeien. De term hiervoor is, geloof ik, kristallisatiepunt; op 8 november zal ik op internet een samenvatting van alle reacties plus mijn commentaar publiceren. Wie wil, kan hierover dan bericht krijgen.

En zo verder. Nieuws gaat over wat afwijkt van het alledaagse, de uitzondering op de regel. Het punt is: wie vertelt mensen nog wat de regel is? Op zo’n Supersite zou dat kunnen; kwaliteitsinformatie niet alleen over wat zojuist is gebeurd (het nieuws), maar ook wat iedere dag opnieuw gebeurt (de realiteit). Op zo’n site kun je als blogger ook stap voor stap onderzoeken of de elektrische auto een goed idee is, samen met publiek dat zegt: ja, die zoektocht wil ik de komende drie maanden met jou maken.

Terwijl u dit leest, wordt hard gewerkt aan deze ‘Supersite’, wetend dat innovatie een kwart nadenken is, en driekwart Leren door te Doen. NRC kon niet investeren in de bouw en exploitatie van zo’n aparte site. Het geld komt nu van de Postcodeloterij, die hoopt bij te dragen aan ‘democratisering van kennis’. Achterin de herfst ga ik aan de Supersite bijdragen leveren en erover berichten. Ik zal dat ‘om niet’ doen, om mijn onafhankelijkheid te bewaren. In dezelfde periode wordt de eerste ‘e-car scriptieprijs’ à 12.000 euro, bijeen gebracht door NRC-lezers, in Groningen uitgereikt.

In ieder geval stopt de column in dit blad, want in deze nieuwe fase ervaar ik de vorm van een ‘papieren’ column van 750 woorden, in te leveren vier dagen vóór verschijning, als een knellend en frustrerend keurslijf.

Mag ik de duizenden en nog eens duizenden lezers bedanken voor hun reacties? Ik ben slecht in corresponderen, maar las alles gretig. Het was mooi, wie weet wordt het nog mooier, maar wat de bestemming ook blijkt: de reis is een feest.

Voor reacties: joris@nrc.nl. Volgende ‘kristallisatiepunt’: 8 november, wanneer Joris Luyendijk op internet alle reacties bespreekt.