'Ik ontwerp altijd voor de werkende vrouw'

Frans Molenaar is een halve eeuw couturier, trouw aan zijn strakke stijl: „Een Chanel herken je uit duizenden en een Frans Molenaar ook.”

Modeontwerper Frans Molenaar: "Ik heb altijd gewerkt voor de vrouw die de hele dag om tafel zit met twaalf kerels." Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel Frans MOLENAAR (1940) Nederlandse couturier. foto VINCENT MENTZEL /NRCH ==F/C==Nederland. Amsterdam, 23 augustus 2010

Volgende week zondag showt Frans Molenaar zijn negentigste collectie in het Amstel Hotel. De 70-jarige couturier is dan ruim een halve eeuw werkzaam in de mode. Op zijn eerste visitekaartje uit 1956 prijkt ‘Couture François’. „Molenaar klonk niet chic”, zegt Frans Molenaar. „Max Heymans, Yves Saint Laurent dát klonk chic.” En in Zandvoort, waar Molenaar opgroeide, heetten alle visboeren trouwens Molenaar.

In 1967 showt Frans Molenaar voor het eerst zijn vrouwelijke, minimalistische kleding in primaire kleuren zonder opsmuk, maar met opvallende biesjes langs revers of zakken. Sindsdien is hij stijlvast gebleven. Molenaar ontwerpt kleding om te dragen, niet om in de kast te hangen. Daarom heeft hij onder zijn klanten veel werkende vrouwen als Neelie Kroes, Sylvia Töth en Joke Bruijs.

Molenaar houdt van de schijnwerpers, staat vaak in de blaadjes en verkondigt zijn mening in RTL Boulevard. „Als ik niet kom vragen ze iemand anders.” De internationale mode volgt hij op de voet. Van de Amsterdam Fashion Week, waar één keer per jaar de Frans Molenaar Prijs voor jong talent wordt uitgereikt, slaat hij geen dag over.

Kunst is zijn motor. Verspreid door Molenaars’ huis in Amsterdam Zuid hangen naast werk van buitenlandse kunstenaars veel abstracte werken van Nederlandse Nulgroep-kunstenaars als Bob Bonies, Ad Dekkers en François Morrelet. In de gang hangen de Cobra-schilders Eugène Brands en Karel Appel, maar ook Georg Baselitz, Bram Bogart en Jan Cremer. Figuratieve schilderijen van de hedendaagse Britt Das sieren zijn zwart-wit ingerichte slaapkamer. De keuken is behangen met mode-illustraties van Marte Röling, op de wc komt Molenaar zichzelf dagelijks tegen op talloze fotoportretten. „Ik ben dol op mezelf.”

Kunt u iets vertellen over uw negentigste collectie?

„Ik show onder andere herinterpretaties van mijn eigen ontwerpen van veertig jaar geleden. Jassen die toen gifgroen met shocking pink waren, toon ik nu in camel en zwart. Het past precies in het huidige modebeeld en het is mijn signatuur. Ik vind niet dat iets wat ik ooit gemaakt heb niet nog een keer kan. Een Chanel herken je uit duizenden en een Frans Molenaar ook. En wie kent mijn oude werk nou nog?”

U bent bij een breed publiek een begrip. Wat doet dat met u?

„Ik wilde vroeger de showbizz in en bekend worden. School vond ik niks, ik snapte niks. Thuis zat ik altijd met stof te friemelen, op mijn achtste maakte ik de kroningsmantel van Juliana na. Mijn vader, verkoopdirecteur bij een confectiebedrijf, hielp en knipte de kroon van goudkarton. Prachtig. Na de mulo adviseerde hij ‘leer een vak, ga de mode in’. Op mijn vijftiende zat ik op de kleermakersvakschool.

„Nu, door mijn collecties voor C&A en de C&A televisiecommercial ben ik nog bekender geworden. ‘Hé Frans!’, roepen mensen me na, heerlijk. Bekendheid levert opdrachten op. Mijn brillen voor Pearle lopen als een trein, ik ontwerp tuinmeubels en vloerkleden. Nu ga ik een rollator restylen, dat heb ik zelf bedacht, wie weet pikt een fabrikant dat op. C&A heb ik ook zelf gebeld. Couture is voor een klein publiek. Het is geweldig nu een groot publiek te hebben dat mijn kleding kan betálen.”

Toen u eind jaren vijftig begon, was couturier in Nederland een nieuw beroep.

„Ja. Je had alleen Max Heymans, hij was mijn voorbeeld en heeft veel voor me betekend. Ik reed ook vaak langs de winkel van Dick Holthaus in de Van Baerlestraat. In 1967 zou ik daar een winkel naast krijgen.

„Het vak leerde ik als assistent van Gérard Pipart, hoofdontwerper van Nina Ricci, een klassiek Parijs modehuis. Daar veranderde ik een zachtroze jurk in fel kobaltblauw, en verwijderde de strikken van de jurken . ‘Oh’, merkte Pipart dan op, ‘gaan we modern doen?’

„Ik was idolaat van Yves Saint Laurent, heb zijn tweede show voor Christian Dior gezien en wist niet wat ik zag: A-lijn jassen in kanariegeel en oranje. Super. Het deed wat met me, ik dacht als ik ooit zo ver kom...”

Hoe kwam u op uw strakke stijl?

„In 1963, ik werkte in Parijs, zag ik ontwerpen van André Courrèges, dat was voor mij de doorbraak. Hij maakte strak vormgegeven witte pakken zonder details, ik dacht ja! Het gaat om de kunst van het weglaten. Ik ben minimalistisch gestart en maakte mijn versie van de A-lijn met jujubussen, vierkanten en cirkels in zwartwit. Ik werkte beduidend strakker dan alle couturiers in Parijs en mijn moderne werk viel op in Nederland. Wim Crouwel, Benno Premsela en Marte Röling die mijn show bezochten, zagen voor het eerst een ontwerper met een eigen signatuur.”

U gaf uw eerste show in Parijs, toch wilde u daar niet blijven?

„Ik wilde een eigen handschrift ontwikkelen: heel strak vormgegeven mode. In Nederland aapten op dat moment couturiers Parijs na: Max Heymans was très Chanel, Dick Holthaus gebruikte patronen van Christian Dior, Ferry Offerman en Ernst-Jan Beeuwkes kochten Parijse mode in. Dat was toen de gewoonte. Dankzij een lening van 250.000 gulden kon ik in Nederland mijn eigen modehuis beginnen. De eerste vier jaren waren moeilijk. Het was apart wat ik deed, mensen moesten wennen. Toen ik naast exclusieve couture, jurkjes in oplages ging maken voor driehonderd gulden per stuk, ging het lopen en volgden er licenties, confectiecollecties en via Benno Premsela een opdracht voor het ontwerpen van werkkleding voor de vuilnismannen van Den Haag. Ik heb veel bedrijfskleding gedaan. Mijn bedrijf is nooit groot geweest, altijd controleerbaar.”

Kunst en vooral schilderkunst is van grote invloed op u werk.

„Ik heb altijd van kunst gehouden en kan niet leven zonder. Begin jaren zestig ontmoette ik bij Galerie Riekje Swart in Amsterdam kunstenaars als Bob Bonies, Ad Dekkers en de Fransman François Morellet. Ik kocht hun werk op afbetaling en was er door geïnspireerd. De abstracte kleurvlakken van Bonies vertaalde ik naar jurken uitgevoerd in matte crêpe-stoffen.

„Ik ben weleens afgegleden toen mode vrolijk moest zijn. Frivole jaren tachtig outfits met ruches zou ik nu nooit meer maken, maar het was de tijd. Die ontwerpen droegen nog wel mijn signatuur, maar waren minder strak dan waar ik van houd.”

Heeft u nooit moeite gehad met ieder half jaar de dwingende deadlines voor modeshows?

„Werken naar een deadline vind ik prettig. Een collectie komt met stukjes en beetjes tot stand. Ideeën haal ik uit de schoenendozen waar ik knipsels in verzamel, of ik zie iets en maak er een variant op in mijn stijl. Vervolgens maakt de kleermaker een pasmodel, valt het tegen, dan stoeit een assistent er nog wat mee en maakt er een goed ding van. Ik doe niets in mijn eentje, dat denken mensen misschien. Ik heb niet de pretentie dat ik al mijn ontwerpen persoonlijk teken.

„Het komt voor dat ik opeens vlak voor een show een ontwerp niet goed vind. Dan zeg ik tegen de mannequin ‘lieve schat trek maar uit’. Niemand weet dan dat ik iets uit mijn collectie heb gehaald.”

U heeft nooit alleen voor rijke dames ontworpen?

„Ik heb altijd gewerkt voor de werkende vrouw die de hele dag om de tafel zit met twaalf kerels gekleed in pakken met das. Die vrouw wil er vrouwelijk uitzien, zich zeker voelen, dan kan ze haar werk beter doen. Ik houd van mantelpakken die als gegoten zitten, heerlijk.

„Ik maak ook dingen die onverkoopbaar zijn, extravagante avondkleding. Er zijn tegenwoordig weer veel premières met dresscodes.”

Hoe heeft u de afgelopen vijftig jaar de Nederlandse vrouw zien veranderen?

„Vroeger waren er veel dikke vrouwen. Nu letten ze allemaal op hun figuur, hebben mooi haar en een mooie huid. Ik vind de Hollandse vrouw prachtig, ook als ze een maatje meer is. Ik heb geen klanten van achttien die heel dun zijn, nooit gehad ook. Nee, dat vind ik niet jammer. Mijn meeste modellen tijdens de modeshows zijn over de veertig, hebben billen en borsten, net als elke vrouw. Ik vind het raar dat andere ontwerpers dunne modellen gebruiken. Kim (Feenstra, winnares Holland’s Next Top Model 2007) loopt mee – om te laten zien dat mijn kleding ook kan voor jongeren.”

Is het moeilijk om een couturehuis runnen?

„Ja. Je moet licenties hebben waarbij anderen jouw producten fabriceren en verkopen, zakelijk zijn en bij de les blijven. Ik zie altijd mogelijkheden. Ik ontmoet veel mensen, laatst nog in het Hilton vijftig vrouwen met een directiefunctie. Dat is mijn doelgroep, ze komen langs in mijn salon voor een preview van mijn show. Ik laat ze stoffen voelen en vertel er iets bij, ze kunnen kleding bestellen.

„Couture verdwijnt nooit, er zullen altijd mensen zijn die iets bijzonders, en maatwerk willen, voor een huwelijk, feest of première. Mensen vinden luxe nu eenmaal heerlijk, en werken er hard voor.”

Hoe ziet u de toekomst?

„Daar ben ik nog niet uit. Mijn bedrijf hangt aan mijn persoon. Misschien moet ik een opvolger vinden? Ik weet, ik ben zeventig, maar voel me een jonge man. Ik ontwerp elk half jaar een nieuwe collectie en wil absoluut door gaan tot mijn honderdste collectie. Ik ben dan vijfenzeventig en krijg dan een grote tentoonstelling in de Rotterdamse Kunsthal.”