'Ik had het gevoel dat ik de krant in de steek liet'

Een intern conflict bij NRC Media maakte afgelopen voorjaar abrupt een einde aan het hoofdredacteurschap van Birgit Donker. De schok is verwerkt, dit najaar keert ze op de redactie terug als kunstredacteur.

Sinds ze in april voortijdig aftrad als hoofdredacteur is Birgit Donker nauwelijks nog op de redactie geweest. Het leek haar beter even afstand te nemen. Letterlijk. Ze maakte reizen naar China en India, om de correspondenten van de krant te bezoeken. „Dat was ik al heel lang van plan.” Ook daar merkte ze hoezeer ze vergroeid is met haar vak. „Ik zag direct overal verhalen in. Daar werden ze gewoon zenuwachtig van.” Ze is de schok van haar voortijdige terugtreden alweer redelijk te boven, zegt Donker (45). Ook omdat ze altijd de relativiteit van het hoofdredacteurschap heeft ingezien. „Ik ben het vak ingegaan om journalist te worden. Dat was mijn droom: correspondent worden, liefst bij de NRC. Dat ben ik geweest. Daarna heb ik elf jaar in de hoofdredactie gezeten, waarvan bijna vier jaar als hoofdredacteur. Hoofdredacteur worden is nooit mijn streven geweest. Ik ben ervoor gevraagd.”

In zekere zin voelt ze sinds die aprildag ook opluchting. Ze is nu tenminste niet langer voor elk detail verantwoordelijk. „Toen ik net in de hoofdredactie zat, was er een keer een probleem met de telefoon. We waren niet goed bereikbaar, hoorde ik van collega’s. Opeens besefte ik: ik moet dit niet alleen constateren, ik moet er ook iets aan dóén. Dat maakt het ook zwaar. Je kunt je als hoofdredacteur op geen enkel moment achter iemand anders verschuilen. De positie is eenzaam. Je bent binnen de krant de enige die alles overziet.”

Het klinkt alsof u eigenlijk niks hoefde te verwerken.

„Het was natuurlijk wel een schok. Vooral omdat je hectische bestaan opeens tot stilstand komt. Dat had ook voordelen: ik kon weer naar de film, naar het theater. Allemaal dingen waarvoor ik jarenlang geen tijd had.”

U hebt uw hele werkzame leven bij deze krant gezeten. Dan moet het toch meer dan naar zijn als je zo met je grote liefde in aanvaring komt?

„Naar is niet het woord. Ik had nog heel veel plannen en goede ideeën. Dat ik die niet kan uitvoeren, vind ik erg spijtig.”

Had u als journalist net zo goed bij Trouw of de Volkskrant kunnen werken?

„De NRC past zeer bij mij. Ik hou van de journalistiek die bij deze krant wordt beoefend. Mijn voorganger, Folkert Jensma, typeerde de NRC als ‘het huis van de vrije geesten’. Mensen die vrij denken, die ongeremd nieuwsgierig zijn en kritisch staan tegenover de macht. Vroeger, toen Nederland linkser was, werden we gezien als een rechtse krant. Nu vindt men ons links, wegens ons integratiestandpunt. Nederland is veranderd, de NRC niet.”

Is de NRC de beste krant van Nederland?

„Dat klinkt zo pretentieus. Wat ik goed vind, is dat wij naar buiten blijven kijken, naar het buitenland. Juist nu is dat belangrijk. Als wij Geert Wilders behandelen, speelt altijd de vraag mee: hoe wordt daarnaar door het buitenland gekeken? Ik vind het typerend dat de Volkskrant vorig jaar een katern Huis is begonnen. Dat staat voor: naar binnen kijken. Ik wil weten wat er buiten gebeurt.”

Aan NRC Handelsblad kleeft nog steeds het beeld van een lezerspubliek dat voornamelijk uit hoogopgeleide sigaren rokende mannen van boven de vijftig bestaat.

„Ik heb altijd gezegd dat de NRC er is voor de meer dan gemiddeld geïnteresseerde lezer, ongeacht diens opleiding. We worden wel meer door mannen gelezen, maar zeker ook door mensen met een lagere opleiding. Al zijn we wel – dat erken ik – een wat cerebrale krant.”

Soms ook een tikje saai.

„De krant is veel spannender dan mensen denken. Dat was voor mij heel belangrijk toen ik hoofdredacteur werd: we moeten meer durven pronken met wat we hebben. Wat we bijvoorbeeld heel goed gedaan hebben, is dat we rond de verkiezingen de lijsttrekkers hebben laten volgen door schrijvers, waarbij we die stukken vervolgens ook op de voorpagina hebben gezet. Dat is echt een eigenwijze NRC-keuze.”

Als je drie lezers los van elkaar een jaar op een onbewoond eiland zou zetten, de één met De Telegraaf, de ander met de Volkskrant en de derde met NRC Handelsblad, waarin zou dan hun beeld van Nederland verschillen?

„De Telegraaf-lezer zou denken dat iedereen de hele dag in de file staat in een zeer onveilig, crimineel land. De Volkskrant-lezer zou alles van de vakbond weten. En de NRC-lezer zou veel weten over de economie en het feit dat Nederland onderdeel is van Europa en de rest van de wereld.”

Maar wat zouden ze meekrijgen van ‘de stand van het land’?

„Wij doen veel meer aan de rechtsstaat dan andere kranten. In onze commentaren geven we echt de grenzen van de rechtsstaat aan. Zoals laatst over de PVV: kijk nou ’ns goed naar hun programma, ze overschrijden de regels van de Grondwet. Als het over de kilometerheffing gaat, hebben wij ook een stuk: wat betekent dat voor onze privacy?

Waaraan kon ik als lezer de hand van Birgit Donker herkennen?

„Tussen mij en Folkert Jensma ligt natuurlijk geen cesuur, omdat we jarenlang in dezelfde hoofdredactie hebben gezeten. Je kunt hooguit zeggen dat de krant opener is geworden in het contact met de lezer. De krant is bovendien minder rapporterig geworden. Niet meer: dit staat in een rapport van… En we dúrven meer dan vroeger. Zoals we vorig jaar de hele krant hebben laten tekenen door Fokke & Sukke.”

Donker was de oudste in een gezin met drie kinderen. Haar moeder gaf les als diëtiste op de huishoudschool en aan dieetkoks, haar vader werkte als internist in het Academisch Ziekenhuis in Groningen. „Hij was erg geïnteresseerd in de menselijke kant van zijn vak. Ik herinner me dat hij ooit een vlammend betoog hield over dat je als arts nooit op de rand van het bed van je patiënt mag gaan zitten. Dan neem je ook de laatste vrije ruimte die iemand tot zijn beschikking heeft nog in beslag.”

Thuis lazen ze aanvankelijk Trouw, omdat de NRC in het Noord-Groningse Onderdendam niet werd bezorgd. Pas nadat haar vader met anderen actie had gevoerd, gleed dagelijks NRC Handelsblad op de mat. Het was een cerebraal gezin, zegt ze, meer op intellect gericht dan op emotie. „Niet zo’n gezin waarbij voortdurend aan elkaar werd gezeten.”

Toen Donker zeven was, kwam haar Koreaanse broertje Kim in de familie. Geweldig vond ze het, „dat kleine jongetje van vier Nederlands leren”. Daarna werd er nog een zusje geboren. Kim kwam uit een weeshuis in Korea. „Hij moest natuurlijk enorm wennen. Als m’n moeder de tafel ging afruimen, riep hij: nee, nee! Ging hij eerst nog onder tafel de laatste kruimeltjes opeten. Alles moest op. Want in dat weeshuis wist je maar nooit wanneer je weer te eten kreeg. Zat hij zich met die sierlijke handen helemaal vol te proppen.”

Haar broer leeft niet meer; toen hij achttien was, maakte hij een eind aan zijn leven. Hij was ongelukkig, zegt zijn zus. „Hij was al eens weggelopen. Toen het gebeurde, woonde hij net weer thuis. De puberteit is altijd een heftige periode. Als je dan ook nog ’ns geadopteerd bent…” En toch kwam het voor het gezin totaal onverwachts. Donker vindt het nog altijd moeilijk erover te praten. „Het is zoiets afschuwelijks. Ik vond het verschrikkelijk dat hij er niet meer was. Ook omdat hij zo’n gevoelige jongen was die heel erg met anderen meeleefde. In de film Kaos zit een verhaal over een moeder die doodgaat. Haar zoon zegt: ‘Ik vind het zo erg dat je doodgaat, omdat je dan niet meer aan mij kunt denken.’ Dat is precies zoals ik het voelde. Op belangrijke momenten in mijn leven moet ik altijd aan Kim denken. Ik vind het ontzettend jammer dat hij mijn zoontjes nooit gekend heeft.”

Is zijn dood een cesuur in uw leven?

Na lang nadenken: „Zijn dood is heel bepalend geweest. Het is iets waarmee ik nog altijd bezig ben. Een vriendin van mijn moeder zei direct nadat het was gebeurd: ‘Jij gaat jezelf hiervan nu niet de schuld geven, hè?’ Het was heel goed dat ze dat zei. Want het gaat natuurlijk wel door je hoofd: wat heb ik niet gezien, waar is het precies verkeerd gelopen? Daarom vond ik studeren ook zo fijn. Daar kon ik me helemaal in storten, zonder te hoeven piekeren. In het begin kon ik mij bovenmatig ergeren aan mensen die zich druk maken om futiliteiten. De dag nadat het gebeurd was, stond ik in de rij voor de kassa bij Albert Heijn, in gedachten verzonken. Hoorde ik opeens een stem: mevrouw, u dringt voor. Toen werd ik enorm kwaad: gaat u dan maar gauw voor mij staan als u zo nodig moet. Terwijl dat niks voor mij is. Het heeft me twee lessen geleerd. Ten eerste dat je andere mensen maar tot op zekere hoogte kunt helpen. Ik heb veel met hem gepraat als hij somber was en dacht dan werkelijk dat ik hem erover heen hielp. Niet dus. Ten tweede dat het cliché dat de tijd alle wonden heelt niet waar is, deze wond is inmiddels allang niet meer zo rauw, maar echt over gaat het nooit.”

Vierendertig was Donker, toen ze in 1999 door Folkert Jensma werd gevraagd toe te treden tot de hoofdredactie. Het verzoek overviel haar. Ze was correspondent in Brussel en ambieerde eigenlijk een nieuwe post. Tegelijkertijd had ze heimwee naar de redactie. „Ik miste de gesprekken met collega’s.” Donker zette als adjunct het katern Leven etcetera op. Want „iedereen gaat uit, eet en drinkt. Dat waren we bij de NRC een beetje vergeten.” En om de week gaf ze leiding aan de productie van de nieuwskrant. In redactiejargon heet dat: ze maakte de krant. „‘Was-ie kapot dan?’ vroeg mijn zoontje een keer.” In het begin probeerde ze ook te blijven schrijven. Dat kwam altijd aan op de weekends. „Omdat ik mijn zoon [ze had toen nog maar één kind, red.] graag wilde zien, nam ik ’m vaak mee. Ik probeerde de onderwerpen wel erop uit te zoeken. In de praktijk werkte het natuurlijk helemaal niet. Als ik een reportage maakte over ‘kinderfeestjes bij de boer’ moest ik intussen toch die boer interviewen.” Inmiddels heeft Donker twee zoons, Daan van 9 en Stijn van 13. Ze deelt de zorg met haar man. Ze heeft niet veel van het moederschap hoeven missen, denkt ze. Al was de overgang van werk naar privéleven soms wat abrupt. Stond ze ineens in mantelpak bij het afzwemmen. „Je bent geëmotioneerd als je je kind ziet binnenkomen, als je hoort zingen: ‘opa, oma, we hebben een diploma.’ En even later ben je weer op de krant, waar je iets zinnigs over de opening van de krant moet zeggen.”

Uw collega’s zeggen: ‘Ze werkt ontzettend hard, en ze zeurt nooit.’

„Ik hou ervan hard te werken. De krant maken heb ik nooit vervelend gevonden. Alleen bij bestuurlijke vergaderingen viel het mij soms zwaar. Als adjunct heb je één heldere rol: het bepalen van de inhoud van de krant. Als hoofdredacteur heb je daarnaast het bedrijf en het feit dat je het gezicht naar buiten bent. Daar moest ik enorm aan wennen. Ik ben van nature juist vrij verlegen. Al vond ik het wel erg mooi dat de NRC als eerste landelijke krant een vrouwelijke hoofdredacteur had. Ik hoop dat ik daarin een voorbeeldfunctie heb gehad. Dat is toch nog altijd nodig. Vrouwen zijn van nature terughoudender. Als we voor de opiniepagina vrouwen vragen, zeggen die veel sneller: ‘Daar ben ik geen expert in. Misschien kunt u beter die of die vragen.’ Er bestaat niet alleen een glazen plafond, maar ook nog steeds een plakkende vloer.”

U wordt ook getypeerd als nogal afstandelijk en gereserveerd.

„Ik kies heel erg de mensen uit die mij mogen kennen. Voor mij zijn privé en werk twee gescheiden werelden.”

Op uw werk zijn er weinig mensen door wie u gekend wilt worden?

„Dat denk ik, ja. Je hebt nu eenmaal een andere positie als hoofdredacteur. Ze kijken anders naar je.”

Sinds u hoofdredacteur was, lunchte u vrijwel nooit meer in het bedrijfsrestaurant.

„Het is ook wel goed dat mensen een plek hebben waar ze vrijelijk over je kunnen roddelen.”

Ze kunnen best even een half uurtje ophouden met roddelen. U laat daarmee wel zien: ik ben één van jullie.

„Ik snap dat mensen daarin afstand voelen. Maar daar kies ik voor. Je bent hun hoofdredacteur, niet hun vriendin.”

Wat was de reden dat u als hoofdredacteur ook zitting nam in de directie?

„Vroeger bracht de hoofdredacteur een krant uit. Er was een redactiestatuut waar alles onder viel. Dat volstond. Nu is een krant een onderneming geworden die voortdurend innoveert. Bij al die vernieuwingen speelt het journalistiek geweten een rol. Daar moet je als hoofdredacteur dus bij betrokken blijven.”

Dat kan tot strijdige belangen leiden.

„Dat is niet aan de orde geweest. Tot begin dit jaar.”

Toen PCM vorig jaar overging naar De Persgroep van Van Thillo is Van Thillo een keer bij jullie op de redactie geweest. Daarbij zou hij zich, naar verluidt, uiterst koeltjes bejegend hebben gevoeld. Dat zou volgens ingewijden hebben meegespeeld bij het feit dat niet de Volkskrant maar NRC Handelsblad werd verkocht.

„Van Thillo werd ontvangen door de redactieraad. Die was kritisch en had inderdaad veel vragen. Hij had zelf een uiteenzetting voorbereid maar die kon hij niet afmaken. Ze wilden gewoon heel veel weten. Ik kan me niet voorstellen dat iemand zich bij zo’n belangrijke beslissing laat leiden door één ontmoeting. Bovendien had de Volkskrant nooit uit PCM kunnen verdwijnen. Dan was het alsof PCM uit PCM was gestapt.”

In december was u nog ‘opgetogen en opgelucht’ dat de NRC was gekocht door Egeria en Het Gesprek. Vier maanden later moest u plotsklaps terugtreden. Wat is er in die korte tijd gebeurd?

„Ik was opgelucht omdat we verkocht werden onder voorwaarden die we zelf hadden mogen formuleren. Totdat uitgever Gert Jan Oelderik dit voorjaar opeens met een nieuw plan kwam, waarmee ik niet kon leven. Het ging kort gezegd om de vraag: zijn wij vooral een journalistieke organisatie of een organisatie die van alles verkoopt? Ik wilde per se de journalistieke eindverantwoordelijkheid houden over journalistieke uitgaven. In de directie kun je over dat soort dingen gewoon niet met meerderheid van stemmen beslissen.”

U wilt ook persoonlijk instaan voor de wijn of de dvd’s die de krant verkoopt?

„Nee, het ging mij puur om journalistieke publicaties. Er was in dat plan ook sprake van NRC-uitgaven die niet vanzelfsprekend volgens de strikte journalistieke NRC-norm gemaakt zouden worden. Dat kon niet.”

Waarom kon u het niet uitpraten?

„Oelderik vond het cruciaal dat zijn plan zou doorgaan, dat ik het zou accepteren. Er zijn wel wat dingen aangepast. Maar de journalistieke eindverantwoordelijkheid voor nieuwe publicaties bleef volgens het plan bij de directie liggen.”

Wat zich ging wreken, was dat u zelf ook in die directie zat. U kon daardoor niet vrijuit met uw redactie overleggen.

„Dat heb ik wel gedaan. Ook omdat ik dacht: misschien ben ik wel te puriteins. Dat ik het plan heb besproken met collega’s werd mij door de uitgever zeer kwalijk genomen.”

Derk Sauer, een van de nieuwe eigenaren, wilde graag een keer op de redactie komen brainstormen. Daar was u tegen.

„NRC-hoofdredacteuren hebben altijd gevonden dat het in het belang van de redactie is dat je niet meteen alle ramen en deuren openzet voor de eigenaar. Daarom was het voor mij even wennen dat er een nieuwe president-commissaris was die de redactieraad rechtstreeks benaderde voor overleg zonder de hoofdredactie en die mij bijvoorbeeld suggesties deed voor columnisten. Maar ik realiseerde me ook dat er nieuwe verhoudingen zijn binnen het bedrijf. Bovendien zijn goede ideeën altijd welkom. Maar ik wilde hem wel graag eerst persoonlijk leren kennen, voordat hij zijn plannen zou presenteren. Daarom heb ik hem uitgenodigd voor een lunch. Dat was de eerste keer dat we elkaar à deux spraken. Later heeft die bijeenkomst met de hoofdredactie alsnog plaatsgehad.”

Had u er bij het conflict met Oelderik geen spijt van dat u niet meer in de persoonlijke relatie met Sauer geïnvesteerd had?

„Ach, dat weet ik niet. Sauer zei wel tegen Oelderik: ‘Birgit heeft ook een plan. Zorg dat jullie er samen uitkomen.’ Een paar punten zijn toen wel opgelost. Maar niet de hoofdpunten.”

Vervolgens zei Sauer dat jullie allebei moesten opstappen?

„Dat wilden Egeria en Sauer. Oelderik zegt overigens dat het hem niet is gevraagd. Ik moest opeens naar Amsterdam komen. Eerst werden de voorzitters van de redactieraad en de ondernemingsraad ingelicht, daarna hoorde ik zelf dat ik mijn functie moest neerleggen.”

De voorzitter van de redactieraad hoorde het eerder dan u?

„Ja.”

Stortte de wereld toen in?

„Ik vond het vooral heel erg omdat ik het gevoel had dat ik de krant in de steek liet. Het idee dat de krant werd onthoofd, dát vond ik het ergst. Het gaat om de zaak, niet om jou.”

Wat had u achteraf anders moeten doen?

„Helemaal niets. Ik zat in een onmogelijke positie: instemmen met een plan waar ik niet achter stond of mijn functie neerleggen. Een onmogelijke situatie.”

Critici zeggen: Donker verdient geen hoog cijfer voor crisismanagement. Want dit had opgelost kunnen worden.

„Dat geloof ik niet. Ik heb voor mezelf een duidelijke lijn gekozen. Ik kan mezelf in deze kwestie niks verwijten. Ik had zelf graag mediation gewild. Het is jammer dat we met de drie directieleden niet meer om de tafel konden. De commissarissen hadden daar geen verwachtingen meer van. Het is erg spijtig dat ons niet meer tijd is gegund om aan het plan te werken. Ik voel geen boosheid, maar vooral teleurstelling. Diepe teleurstelling dat ik in dit parket ben beland. Want mijn hoofdredacteurschap was niet slecht verlopen; er zijn geen grote inhoudelijke blunders begaan, de krant stond er bovendien goed voor. Vorig jaar hadden we een winstmarge van ruim 10 procent. Dat maakt het voor mij allemaal zo onbegrijpelijk.”

Curieus dat de NRC-lezer tot op de dag van vandaag niet in zijn eigen krant heeft kunnen lezen wat er precies is voorgevallen.

„Ach ja, we moeten ook dóór. Dan kijk je eerder vooruit dan terug.”

Je kunt toch pas door als je grondig hebt omgekeken?

„We hadden zelf een goede reconstructie moeten laten maken. Dat dit niet is gebeurd, is niet goed geweest.”

Op 1 november begint u op de kunstredactie. Ziet u zichzelf weer gewoon aan een bureau aanschuiven?

„Die traditie hebben we hier wel. Folkert Jensma heeft altijd gezegd: het hoofdredacteurschap is een jas die je ook weer kunt uitdoen.”

Uw collega’s zullen die jas vast nog aan de kapstok zien hangen.

„Ik denk dat het zal meevallen. We zullen het zien.”

Wat hoopt u dat men later over hoofdredacteur Birgit Donker zal zeggen?

„Ze was integer, ze bracht de krant verder. En vooral: ze stond voor haar zaak.’