Goed zeemanschap

Het wordt steeds drukker op het Nederlandse water. Het is een kunst elkaars vaarwater op te zoeken en te mijden. „Gezond verstand komt altijd voor bureaucratie.”

Op de alleroudste kaarten zie je het al liggen, Creupel Sandt, Croepel Santt. Tussen de kronkelende stromen, de zeegaten en de andere zandbanken en ondiepten die de Engelse diplomaat Sir William Temple in de zeventiende eeuw deden opmerken dat de Zuiderzee gevaarlijker was dan de Golf van Biskaje.

Ik kwam er terecht aan het eind van een glorieuze Nederlandse zeildag, met windkracht vier en flessengroen water onder een Ruysdaellucht. De Kreupel, iets dichter bij Medemblik dan Stavoren, is nu een vogeleiland. Rijkswaterstaat is er een paar jaar met zand en stenen in de weer geweest en op de zeventig hectare die nu boven water uitsteken broeden ongestoord sterns, meeuwen en plevieren.

De Kreupel is een fraai staaltje maakbare natuur. Maar als je een voorbeeld van het poldermodel zou moeten verzinnen is het ook een goede kandidaat. Want Staatsbosbeheer, dat het eiland vorig jaar van Rijkswaterstaat overnam, bereikt hier de beloofde ‘natuurwaarden en -kwaliteiten’ zonder de ‘belangen van de waterrecreatie’ te schaden.

Aanvankelijk hadden de verenigde watersporters weinig zin in het zoveelste obstakel in ‘hun’ IJsselmeer, maar dankzij de aanleg van een ‘passantenhaven’ kunnen er nu zo’n twintig jachtjes aanmeren plus een paar grotere tjalken of klippers van de ‘bruine vloot’. Een havenmeester, een vrijwilliger, is de enige permanente bewoner. Hij – deze maand was het een zij – woont in een houten huisje, leest veel boeken, laadt de mobiele telefoon op met een aggregaat en int het liggeld.

Gegeven het ontbreken van wc’s, stroom en drinkwater – aanwezig in elke Nederlandse jachthaven – is dat ‘havengeld’ nog tamelijk fors, maar je kunt het ook omdraaien, en dat doet Staatsbosbeheer dan ook: De Kreupel is geen jachthaven maar een ‘natuurhaven’. Waar kun je nog voor een verwaarloosbaar bedrag overnachten onder de sterren? Zonder scooters op de kade en snackgeuren? Met niet meer dan een paar pinkende lichtjes aan de horizon. En met die duizenden vogels als vroege wekker? Drinkwater heet hier Bar-le-Duc, 220 Volt wordt lampolie. En die wc? Het IJsselmeer is groot.

Een dagje op De Kreupel is een merkwaardige ervaring. Je bent er namelijk niet op. De steigers staan in het water en raken nergens het land, je kunt van je boot op de steiger en dat is het. Vanaf het dak van het havenmeestershuisje kun je naar de vogels kijken, op het zand, achter het riet in de verte, maar dichterbij kun je niet komen. Ja, De Kreupel betekent ruimte, maar het is er ook een tikje claustrofobisch. Zo is het poldermodel nu eenmaal.

Eerst liggen we er als enigen. Maar aan het begin van de avond verschijnen meer liefhebbers. Eerst een fraai vooroorlogs jachtje met drie Sinas-drinkende jongelui. Ze kunnen kiezen uit een paar honderd meter vrije steiger, maar leggen toch vlak voor ons aan. Daarna een plastic zeekasteeltje met ‘Zaandam’ op de spiegel en een kruimeldief in de kajuit. Die maken vlak achter ons vast. Een tweemaster die eigenlijk op groter, zouter water thuishoort, en een stoer bootje vol kinderen met zwemvestjes (en hun ouders) parkeren even later aan krek hetzelfde stukje steiger.

Kan het zijn dat veel Nederlandse ‘waterrecreanten’ diep in hun hart geen behoefte hebben aan al te veel ruimte? Watersport in Nederland wordt verkocht als droom van ultieme vrijheid, maar in praktijk komt het toch vaak neer op bij elkaar op schoot zitten. En dat vinden we helemaal niet zo erg.

In drukke Franse en Britse jachthavens is het goed gebruik om als je langszij een andere boot moet afmeren het in omgekeerde richting te doen. Zo gun je elkaar enige privacy, is het idee. Maar Nederlandse bootjes gaan opvallend vaak in dezelfde richting naast elkaar liggen, zodat om vijf uur (en vaak al wat eerder) de hele jachthaven kuip-aan-kuip ligt te borrelen en je met de buren net zo kunt praten als over de heg in de Vinex.

Zie ook de relatieve vanzelfsprekendheid waarmee Sail in drie dagen anderhalf miljoen mensen een plek gaf in die drijvende Efteling. Zoiets kan vermoedelijk alleen in Nederland. En ook de commotie rond zeilmeisje Laura heeft er iets mee te maken. De verontwaardiging over de risico’s die ze loopt lijkt terecht, maar als je goed luistert, hoor je toch ook een vleugje irritatie meeklinken dat ze uit de Nederlandse mal stapt. Meisjes van 14 moeten niet eenzaam over de oceaan willen jakkeren, maar knus met vriendinnen op zeilkamp in Sneek.

Dinsdag begint in IJmuiden de Hiswa te Water, waar botenbouwers jaarlijks hun laatste nieuws tonen. In de Seaport Marina liggen 400 schepen, van 5 tot 25 meter lengte. Duurzaam en groen zijn er, zoals overal tegenwoordig, prominent aanwezig als subtrend, maar de vraag die veel bezoekers en deelnemers in ‘crisistijd’ vooral bezighoudt, zal toch zijn wat deze editie van de ‘natte Hiswa’ zegt over de botenmarkt zelf. De watersportindustrie – in Nederland jaarlijks goed voor 2,6 miljard euro – „heeft het wereldwijd nog steeds zeer moeilijk”, maar „het algemene gevoel is dat het eind in zicht is”, al „lijkt het nog wel aan consumentenvertrouwen te ontbreken”, zegt de organisatie zelf, enigszins vaag. Jachtbouwers in het zeer luxe segment – „prijs op aanvraag”– verdringen zich in elk geval nog steeds in IJmuiden. Maar net als op de woningmarkt dalen de prijzen en stijgen de voorraden doorsneeschepen. Nieuw en tweedehands. Daarom „is er alle reden om juist nu een boot te kopen”, schrijft de jongste Waterkampioen 2de Hands, 150 pagina’s met advertenties voor gebruikte zeil- en motorboten.

In Nederland liggen meer dan een half miljoen pleziervaartuigen en dat aantal stijgt. Vakantie in eigen land is in. Wie de Hiswamannen hoort over de onbenutte kansen van de Zeeuwse Delta als recreatiegebied of het ambitieuze project ‘Brabant aan Zee’ beseft dat het op het water voorlopig niet minder druk zal worden.

De typisch Nederlandse vraag hoe je zowel elkaars vaarwater kunt mijden als opzoeken blijft dus actueel. Een uurtje kijken bij een willekeurige sluis leert dat het niet altijd lukt. Maar vanouds gaat het meestal wel goed. Wie het zich kan permitteren besteedt in het dichtbevolkte Nederland zijn „vrije tijd aan genoegens of verstrooiingen die niet in strijd zijn met de wetten, noch nadelig zijn voor henzelf of anderen”, schreef de eerder genoemde William Temple al in 1672 in zijn Observations upon the United Provinces, een scherpe, nog verrassend actuele schets van de Nederlanders en hun volksaard, die hij als gezant uit Londen een paar jaar van nabij had kunnen bestuderen. Op het water gelden officiële voorschriften, onder meer vastgelegd in het Binnenvaart Politie Reglement (BPR), zoals de markering van het vaarwater met boeien, de verlichting die schepen moeten voeren, en de voorrangs- en uitwijkregels.

Die laatste zijn in volgorde van belangrijkheid, in de samenvatting die je op elke zeilschool leert: klein wijkt voor groot (schepen langer dan vijftien meter of beroepsvaart krijgen voorrang), stuurboordswal (aan de rechterkant van het vaarwater heb je voorrang), motor wijkt voor spier wijkt voor wind (want motorboten zijn wendbaarder dan roei- of zeilboten), stuurboord wijkt voor bakboord (wie zijn zeil over stuurboord heeft staan moet voorrang verlenen aan een schip op een kruisende koers dat zijn zeil over bakboord heeft) en loef wijkt voor lei (als twee schepen elkaar naderen met het zeil aan dezelfde kant, wijkt het schip dat het meest aan de kant vaart waar de wind vandaan komt).

Maar de belangrijkste regel, die voor alle andere gaat, ook internationaal, is goed zeemanschap: het gezond verstand waarmee je hoe dan ook moet voorkomen dat je een aanvaring maakt of een ander in de problemen brengt. Omdat op het water nu eenmaal niet elke situatie is te overzien of in regels is te vatten. Omdat het verstandig is, en beleefd.

Goed zeemanschap is de oudste regel – gezond verstand komt altijd voor bureaucratie – en het is ook de mooiste. Het betekent ook dat je, al heb je het grootste gelijk van de wereld, dat niet altijd neemt. Ja, het is verleidelijk om het koperen toetertje te pakken of „Bakboord!” te roepen naar de blinde egoïst die op hoge snelheid hetzelfde punt nadert als jij. Maar het heeft ook wel wat om de koers even te verleggen, zachtjes „Na u” te zeggen, en bij het passeren die verschrikte blik en verontschuldigende groet te incasseren. Net zoals het niet per se pijnlijk is om zelf excuus te moeten maken voor een suboptimale manoeuvre.

Natuurlijk zijn er waterrecreanten die niet van welke regel dan ook op de hoogte lijken en meestal in gezelschap verkeren van golven, decibellen en uitlaatgas. En ja, ook tussen rustige motorbootvaarders en zeilers lopen onzichtbare maar harde scheidslijnen, zoals er tussen binnenvaartschippers en watersporters evenmin veel liefde verloren lijkt. En toch is die groet er altijd, nu ja meestal. Afstandelijke solidariteit, zoals van motorrijders, die zegt dat je samen dezelfde elementen moet bedwingen.

Of gaat het verder?

Ik denk nu aan de man in een haven aan de Noordzee, waar ik ten einde raad aanklopte omdat de motor van mijn boot zich op mysterieuze wijze dood hield.

„Is het een oude Volvo?” Dat beaamde ik. „Die hebben soms iets met een zekering ergens”, zei hij en kwam aan boord met een zaklamp en een voltmeter, waarna het in twee minuten was opgelost.

Op het eerste gezicht was het een vanzelfsprekende burendienst. Maar het drong ook tot me door dat al die watersporters samen een oud, rijk netwerk van kennis en hulpverlening vormen, waarin je als anoniem lid van de groep zomaar kan inpluggen. Dat is niet vrijblijvend. Op het water wordt ieder geacht hulp te geven als het gevraagd wordt. Of nodig lijkt.

Van dat netwerk vang ik ook in natuurhaven De Kreupel een glimp op. Op het dak van het havenmeestershuisje tuurt een man door een verrekijker naar de vogels. Van vogels weet hij niets, zegt hij. Wel van water. Hij is met zijn vrouw even op het eiland.

„Voor mij wordt het pas leuk boven windkracht zes”, zegt hij. Ik kijk naar het motorkruisertje dat aan de steiger wiebelt. Dan vertelt hij dat hij ook schipper is van de reddingsboot van Andijk – je kunt de kerktoren zien aan de horizon. Dat is geen betaald werk, maar vrijwillig. Hij doet het naast een betaalde baan, net als de andere bemanningsleden, de opstappers. „Je moet wel een baas hebben van wie het mag”, zegt hij.

‘Het’ is zeven dagen per week oproepbaar zijn en moeten uitvaren, vaak in het donker en bij slecht weer. Om jachtjes te helpen met motorpech, of die aan de grond zijn gelopen. Om een zieke van boord te halen. Of te zoeken naar een drenkeling. Deze avond is het IJsselmeer een spiegel. Maar als het waait en het donker is, lijkt de natuur hier helemaal niet zo maakbaar meer.

„Als er gebeld wordt, varen we altijd uit”, zegt hij. Bij een oproep van een schip op marifoonkanaal 16 is het evident. Maar vaak gaat het om iemand die zegt dat hij een noodvuurpijl heeft gezien. Dat is nogal eens loos alarm: feestvuurwerk, de bedrieglijke rode lichtjes op de windmolens aan de overkant, en een keer Chinese lampionnen. Maar uitvaren doen ze en ze zoeken goed. „Want je kan niet weten.” En nu moet hij gaan, voor het te donker wordt.

Diezelfde avond zie ik een wit en een rood licht razendsnel laag over het water naderbij komen. Even later schuift een grote rubberboot met vier mannen in rubberpakken en een krakende marifoon tussen de steigers van de natuurhaven. Ze komen langszij, maken excuus voor het late uur, en vragen of we misschien de vuurpijl hebben gezien waarvan ze een melding kregen. Helaas niet. Of gelukkig niet. Ik kijk of ik de schipper uit Andijk zie. Maar het is de reddingsboot uit Medemblik.

Hiswa te Water, dinsdag 31 augustus tot zondag 5 september, Seaport Marina in IJmuiden, meer info: hiswatewater.nl