Geprivatiseerde banken blijven staatsbanken

Met de beursgang van de Agricultural Bank of China afgelopen week heeft China de ‘privatisering’ van alle grote banken afgerond. Maar de staat blijft de baas bij deze banken.

Jaar-in jaar-uit was zij „modelwerker” en toch werd mevrouw Wu Lijian (44) als versleten meubilair op straat gezet. „In zogenaamd communistisch China worden honden en varkens beter behandeld dan een loyaal werknemer”, klaagt de voormalige employee van de Industrial and Commercial Bank of China (ICBC).

Zij en haar zoon „eten bitterheid” want zij is haar „ijzeren rijstkom” kwijt, zoals een gegarandeerde baan bij een staatsonderneming werd genoemd. Net als honderdduizenden anderen die zijn ontslagen in de bancaire „revolutie” (zoals The Economist de transformatie van de banken in China noemt) of dat lot de komende jaren nog zullen ondergaan.

De commercieel succesvolle hervorming van de bankensector begon in 2002 met de eerste ronde beursintroducties en passeerde deze week een historische mijlpaal met de start van de handel in aandelen van de Agricultural Bank of China (AgBank) op de beurzen van Shanghai en Hongkong. Meteen trad de AgBank toe tot de toptien van ’s werelds grootste beursgenoteerde banken. AgBank, de Chinese Rabobank, is de laatste van vijf grote staatsbanken die de internationale kapitaalmarkt zijn opgegaan. Ruim 17,6 miljard euro haalde de in 1951 opgerichte AgBank op en brak daarmee het record uit 2006 van de Industrial and Commercial Bank of China (ICBC) van 17,2 miljard euro.

Bij de ICBC, in beurswaarde gemeten de grootste bank ter wereld, werkte mevrouw Wu sinds ze de middelbare school verliet. Na de beursgang volgde sanering op sanering, Chinese stijl. Alle veertigplussers zonder academische of financiële opleiding werden van de loonlijst verwijderd. Over het vertrek viel niet te onderhandelen. Voor ieder gewerkt jaar zou zij 100 euro ontvangen, 2100 euro in totaal en dat was inclusief het opgebouwde pensioen. Dat laatste bleek een tofuzachte toezegging.

Er is nog een reden waarom zij zich diep gekwetst voelt, vertelt zij telefonisch. Dat heeft niets te maken met de donderdag gepresenteerde winstgroei (37 procent) van ICBC, die voor buitenlandse investeerders zoals Goldman Sachs of Allianzbank een geldmaker is. Toen Wu begin augustus met tientallen andere ontslagen bankmedewerkers opnieuw ging demonstreren voor betere vertrekregelingen werd zij bij het hoofdkantoor van de Agriculture Bank of China in Peking gearresteerd.

„Wij wilde onze collega’s waarschuwen voor het lot dat hun boven het hoofd hangt”, vertelt mevrouw Wu, die begin deze week vrijkwam en de hoofdstad moest verlaten. Zij wordt teruggestuurd naar het dorp waar ICBC haar 25 jaar geleden rekruteerde.

De demonstratie, een van de tientallen die ontslagen bankmedewerkers jaarlijks organiseren, had tot gevolg dat de vestigingen van de Agricultural Bank of China in Peking en Shanghai extra bewaking kregen. Iedereen in de banksector weet dat de omschakeling van het communisme naar het staatskapitalisme – „het marktleninisme”, sneert mevrouw Wu sarcastisch – nog tienduizenden banen zal kosten.

‘Het is een onvermijdelijk proces. Bureaucraten moeten plaats maken voor bankiers, ambtenaren moeten ondernemers worden’’, zegt Lian Ping, hoofdeconoom van de Bank of Communications in Shanghai, de kleinste en op een na oudste van de grote vijf. Bij deze bank, die in 1908 werd opgericht, werken na de beursgang van 2002 „nog maar” 45.000 mensen. Dat waren er acht jaar geleden meer dan 120.000.

„Het feit dat wij eigendom zijn van het ministerie van Financiën, dat met 23 procent onze grootste aandeelhouder is, is geen argument om ons ook te gedragen als een ministerie”, legt dr Lian uit in zijn kantoor met uitzicht over het financiële centrum van Shanghai. „De staat en onze andere aandeelhouders, waaronder de Britse bank HSBC en Goldman Sachs, eisten dat wij overgingen op een efficiëntere bedrijfsvoering. Buitenlandse aandeelhouders hebben grote invloed op onze managementstijl. De markt werkt disciplinerend.”

De nieuwe aandeelhouders van de AgBank verwachten dat de markt ook deze bureaucratische kolos zal tuchtigen. Onder de nieuwe investeerders bevinden zich Rabobank, de Amerikaanse graanverwerker ADM en de Hongkongse bank Standard Chartered. Zij zien een grote toekomst voor een gereorganiseerde AgBank, die nu (nog) 450.000 werknemers, 23.500 kantoren en 1.400 miljard yuan (162 miljard euro) aan deposito’s heeft. Meer dan welke andere bank ook is de AgBank verweven met het Chinese platteland waar groeipercentages van 15 procent (2010) en meer worden verwacht.

Dat de AgBank als laatste van de grote vijf naar de beurs werd gebracht, komt niet alleen door het grote aantal slechte leningen dat moest worden verwerkt, maar ook doordat er in de top van de Communistische Partij en de ministeries van Financiën en Landbouw geen consensus was over de toekomstige rol van de AgBank.

„Van alle grote banken zijn de sociale verplichtingen van de AgBank het grootst”, erkende voorzitter van de raad van bestuur Xiang Junbo bij de beursintroductie. Zijn bank heeft als opdracht het leven van arme boeren te verbeteren in gebieden die tot nu toe niet of nauwelijks hebben geprofiteerd van de economische groei. Volgens hoofdeconoom Lian Ping van de Bank of Communications is „deze ingebouwde spanning tussen sociale doelen en de markt” bij de AgBank nog niet opgelost.

Professor Wang Jiangmao, een liberale econoom van de China European International Business School (CEIBS), is het daarmee eens. „Deze bank speelt een sleutelrol in de toekomstige ontwikkeling van het platteland. Meer nog dan de andere banken staat de AgBank in het hart van het economische en sociale beleid van de staat”, aldus Wang. „Van alle banken was de AgBank er daarom tien jaar geleden ook het slechtst aan toe, omdat de bank gedwongen werd veel slechte leningen aan rurale overheden en landbouwcoöperaties te verstrekken. Het heeft veel tijd en enorm veel geld gekost om de hele banksector te saneren en te verlossen van de slechte leningen, maar het meeste geld ging waarschijnlijk naar de AgBank.” Niemand weet precies hoeveel „honderden miljarden dollars” de staat heeft betaald om de banksector weer gezond te maken. Het ministerie van Financiën in Peking verstrekt geen cijfers, maar wel is bekend dat alleen al in 2008 150 miljard euro naar de AgBank ging.

„Met deze beursgang hoopt de staat iets van dat geld terug te krijgen en de resterende slechte leningen en de bankbureaucratie te saneren”, zegt Wang Jiangmao, die economie doceert aan nieuwe generaties ondernemers. Maar de beursgang van de grote vijf betekent niet dat de staat zich terugtrekt uit het bestuur of de belangen laat verwateren. „De staat blijft meerderheidsaandeelhouder, hetgeen niet betekent dat het management niet verandert. Er is een ongekende moderniseringsslag gemaakt en die gaat door.”

Topbestuurders van alle banken worden door het ministerie van Financiën benoemd. De bestuursvoorzitters van de grote vier, die nu behoren tot de top tien van de wereld, behoren tot de 300 machtigste leden van de Chinese Communistische Partij. Zij staan via de rode telefoons op hun bureau’s rechtstreeks in verbinding met het Politbureau, stelt Financial Times-journalist Richard McGregor in zijn boek The Party, the secret world of China’s communist rulers.

„We zijn als het om de eigendomsconstructie gaat terug bij de tijd van voor de oprichting van de Volksrepubliek China. In de Republiek China onder leiding van de nationalisten van de Kuomintang waren banken ook eigendom van de staat en, in minderheidsposities, van particuliere investeerders”, zegt Wang die niet verwacht dat de banken ooit volledig zullen worden geprivatiseerd.

Dat heeft te maken met de bankencrisis in het Westen, en vooral met de diep gewortelde opvatting dat in een socialistische markteconomie de banken door de staat moeten worden gecontroleerd. „Dat komt uit het leerboek van Sun Yat-sen, een van de grondleggers van de Republiek China”,aldus Wang. Banken zijn te belangrijk om aan kapitalisten te worden overgelaten, stelde Sun Yat-sen.

Bij de Bank of China, de ICBC, de China Construction Bank en de Bank of Communications speelde de politieke discussie, zoals die is gevoerd over de AgBank, in mindere mate. Econoom Lian van de de laatste bank legt uit: „We hebben als opdracht de Chinese economie, en dan met name de industriële sectoren, te financieren. Bij de AgBank speelt het denken over platteland en boeren een bijzondere, ook emotionele rol.”

In de praktijk financieren de grote vijf banken vooral lokale overheden en staatsbedrijven, regionaal, nationaal en internationaal. Daar zijn de afgelopen jaren vermogensbeheer, verzekeringen en projectfinanciering in Afrika, Latijns-Amerika en het Midden-Oosten aan toegevoegd. Het verklaart waarom de buitenlandse netten van de Bank of China en China Construction Bank hard groeien. De Bank of China heeft ook in Rotterdam een vestiging geopend.

Ogenschijnlijk lijken de Chinese banken zich niet meer te onderscheiden van hun doorgaans kleinere, westerse concurrenten. En dat geldt ook voor de hoog opgeleide, Engels met Amerikaanse tongval sprekende, bankiers. Toch is het verschil groot. Dat bleek ook toen de Volksbank van China, de centrale bank, deze maand waarschuwde dat Chinese banken opnieuw een groot aantal slechte leningen in hun bezit hebben. Uit onderzoek is gebleken dat 20 procent van de sinds november 2008 verstrekte leningen – 175 miljard euro van in totaal van 875 miljard – niet zal worden terugbetaald.

Het zijn vooral lokale overheden die met de leningen nodeloze wegen, bruggen en andere infrastructurele projecten hebben aangelegd of risicovolle investeringen in de onroerendgoedsector hebben gedaan. Het nieuws dat sommige in gebreke zullen blijven, leidde nauwelijks tot beroering, ook niet op de beurzen. „Het zijn leningen die verstrekt moesten worden in het kader van het stimuleren van de economie. Er was geen tijd voor grondig onderzoek”, legt econoom Liang uit. „Het percentage van 20 procent viel nog mee, want er circuleerden schattingen dat het aantal slechte leningen veel hoger lag.”

Deze laconieke houding houdt direct verband met de rol van de staat als beschermheer van de banken en het vooruitzicht dat de Chinese economie de komende 15 jaar zal groeien met percentages die volgens Lian Ping niet onder de 8,5 tot 9 procent per jaar zullen zakken. „Wij voorzien dus geen problemen”, zegt Lian zorgeloos.

Gecombineerd met de lage rentepolitiek van de staat worden de banken daarom wel eens vergeleken met leveranciers van verdovende middelen. China, althans de staatsbedrijven en regionale overheden, zijn verslaafd geraakt (of gemaakt) aan de „cocaïne van goedkoop geld”, aldus de Amerikaanse hoogleraar Michel Pettis van de Universiteit van Peking.

Zonder deze provocerende terminologie over te nemen is professor Wang Jiangmao het met hem eens. Hij voorziet dat de banken om de paar jaar zullen moeten herkapitaliseren net als de afgelopen maanden. In totaal haalden alle banken in de eerste helft van 2010 70 miljard euro op met de uitgifte van nieuwe aandelen. „Dat kan nu nog dankzij de buitenlandse investeerders die in het China wonder geloven en dankzij de spaarzin van de Chinezen, maar de tijd voor financiële hervormingen komt snel dichterbij. Dit is niet vol te houden”, aldus Wang.

De indrukwekkende beursintroducties en de uitstekende resultaten van de Chinese banken benemen volgens hem het zicht op een structureel probleem in de Chinese economie. Kleine en middelgrote particuliere bedrijven hebben niets aan de grote banken. „Staatsbedrijven kunnen makkelijk aan veel en goedkoop kapitaal komen, maar dat geldt niet voor het midden- en kleinbedrijf. Om die reden is het MKB in China een onderontwikkelde sector. Deze ondernemers moeten lenen bij familie, vrienden en ondergrondse banken die hoge rentes bedingen”, legt hij uit. Pogingen de ondergrondse banken, waar zo’n 2.000 miljard euro omgaat, om te vormen tot bovengrondse particuliere banken zijn verzand.

Professor Wang denkt dat China op termijn het MKB nodig heeft voor banengroei en innovatie. „Financiële hervorming, waardoor het monopolie van de grote staatsbanken wordt doorbroken, is essentieel voor China. Willen we blijven groeien en innoveren dan hebben we het midden- en kleinbedrijf nodig, en dat kan alleen ontwikkeld worden met middelgrote, particuliere banken en buitenlandse expertise” redeneert hij. Want, zegt de econoom: „We moeten de technologische ladder beklimmen. We kunnen niet doorgaan met het investeren in nog meer wegen, bruggen en vliegvelden. Dat houdt een keer op.”