De druktefactor

Vorige week de Sail, dit weekend de Uitmarkt, dan nog even het Jordaanfestival, de Dam tot Damloop, de najaarskermis, de intocht van Sinterklaas en de viering van de jaarwisseling en Amsterdam heeft haar evenementen van 2010 er weer op zitten. Volgend jaar verder met de voorjaarskermis, Koninginnedag, 5 mei, een homoparade, een grachtenfestival, weer die Uitmarkt en zo verder met tussendoor nog, wie zal het zeggen, een Italiaanse fietswedstrijd, de huldiging van een verslagen voetbalelftal, een marathon, een carnaval of een bloemencorso. Amsterdam Fun City: alle dagen feest en elke avond vuurwerk.

En dit is nog maar het begin. Wie de moeite neemt er de voorlichting van de gemeente Amsterdam over te bellen krijgt te horen dat Amsterdam nu al de evenementenstad van Nederland is en dat zij de ambitie heeft de evenementenstad van Europa te worden.

Waarom? Dat is een grappige vraag. Niet om de Amsterdammer op zijn tijd een verzetje te bieden. Of om ‘Amsterdam op de kaart te zetten’ zoals laatst nog een brave oud-marineman zei. Amsterdam staat al zeven eeuwen op de kaart. Het gaat erom zoveel mogelijk buitenlui naar de stad te lokken en die zoveel mogelijk geld uit de zak te kloppen. En om voor deze dienst in een soort economisch perpetuum mobile door zoveel mogelijk sponsors betaald te krijgen. Daar gaat het om. Eigenlijk draait niemand daaromheen.

Gelukkig maar! Laatst is hier geprobeerd na te gaan hoeveel dat allemaal oplevert. We memoreren dat de gemeente alleen directe inkomsten verwerft als er gelogeerd wordt in een hotel of jeugdherberg, wat bij evenementen nauwelijks het geval is, maar dat zij in álle gevallen opdraait voor de afvoer van het evenementenvuil. En voor de bewaking van de veiligheid.

De inkomsten gaan vooral naar de horeca die bier en worst verkoopt. En hasj. De vorige Sail, die van 2005, leverde de Amsterdamse gemeente wel 100 miljoen euro op, zei de net geciteerde marineman. Hij bedoelde: de Amsterdamse horeca. En hoe hij aan dat bedrag kwam? Daar gaat het vandaag over. Houvast biedt de webpagina ‘Feiten en cijfers Sail 2005’ op www.sail2010.nl.

Het aantal bezoekers van Sail 2005 was 1,8 miljoen, de gemiddelde bezoeksduur was 6,6 uur en de publieksbestedingen waren meer dan 97 miljoen. Aangenomen wordt dus dat de Sail-bezoeker ongeveer 50 euro uitgeeft, een gezin met twee kinderen dus 200 euro.

Zo ontstaat argwaan. En hoe kwam de Sail-organisatie aan dat bezoekersaantal van 1,8 miljoen in 2005? Dat telt de gemeente altijd voor ons, zegt een woordvoerder. De gemeentevoorlichting bevestigt het. Het wordt bepaald in overleg met diensten als de brandweer, de GGD en – vooral – de politie die vanuit helikopters een goed zicht heeft op de massa’s. Hoe secuur is de telling? Tja, lastig. In ieder geval is het een serieuze schatting, want het getal is van belang voor de beoordeling van de veiligheidsrisico’s, zegt de voorlichter. De kans dat het – bij voorbeeld – maar half zo veel is, is nihil, denkt hij.

’t Was zomaar een vraag ingegeven door het nieuws dat er op de zo dramatisch verlopen Loveparade in Duisburg bij nader inzien niet 1,5 miljoen bezoekers aanwezig waren maar slechts 250.000. Oberbürgermeister Adolf Sauerland heeft dat twee weken geleden toegegeven. Er was helemaal geen plaats voor zoveel technofans. “Mit den hohen Zahlen habe man nur Marketing betrieben.” Je kunt het bezoekersaantal met een factor zes overdrijven zonder dat iemand het door heeft.

Hoewel: “Ik zag zó dat het er geen anderhalf miljoen waren”, zegt de woordvoerder van het Rotterdamse Zomercarnaval dat dit jaar 800.000 bezoekers meldde. “Ach, je jokt allemaal. Het gaat om de rangorde tussen de evenementen. Ik roep al jaren dat we geen getallen moeten noemen. Of moeten gaan tellen. Maar de media willen een getal hebben.”

De rondborstige Rotterdammer geeft grif toe dat het Zomercarnaval best 200.000 bezoekers minder kan hebben getrokken dan is opgegeven. “Het carnaval duurt twee dagen, de mensen blijven maar zo’n tweeënhalf uur. Je zit dus met publiekswisselingen en dubbeltellingen. Het is moeilijk te schatten. Je gaat af op de bezettingsgraad van een paar bekende locaties.”

Valt hier voor de zelfstandig onderzoeker nuttig werk te doen? Misschien. We onderzoeken het bezoekersaantal dat is gemeld voor de Amsterdamse Canal Parade van 7 augustus, dus het aantal toeschouwers dat langs de kant van de gracht keek naar versierde schepen vol homo’s in panty en tutu. Het gemelde aantal is 380.000. Reken nu mee. De route via de Prinsengracht langs de Amstel naar het Oosterdok is zo’n 7 km lang. Neem aan dat het publiek, schouder aan schouder in rijen opgesteld, vanaf beide grachtkanten naar de Parade keek. Dan had het aan beide kanten van de route 16 rijen dik moeten staan. (Want mensen zijn 60 cm breed, er gaan er 1,7 op een meter.) De indruk is dat het gemiddeld nog geen drie of vier rijen dik stond, en dat de toeschouwers helemaal niet schouder aan schouder stonden. Het zal de organisatie nog moeite kosten te bewijzen dat er 100.000 bezoekers waren. Dit riekt naar Duisburg-bedrog.

De argwaan treft de woordvoerder van Gay Pride onaangenaam. Ook zijn organisatie baseert zich op schattingen van de politie en het taxeren van de bezettingsgraad van vaste locaties. Maar, zegt hij, misschien wás het wat minder dan 380.000, de belangstelling voor de huldiging van het Nederlands elftal is ook sterk overdreven. Een half miljoen bezoekers is er gezegd. Maar op het laatst stonden ze allemaal op het Museumplein en daar passen maar 200.000 mensen op. En het was niet eens helemaal vol.

In dichte menigten staan mensen met 6 personen per m2 op elkaar en het Museumplein meet ongeveer 150 bij 250 meter. De aanname dat de capaciteit 200.000 is klopt dus wel. Maar, zegt de gemeente, er stonden ook nog heel veel mensen langs de grachten. Wij hebben juist verhinderd dat ze naar het plein gingen. De vraag is: stonden er nog 300.000 langs de gracht?