Bruiklenen moeten beter geregeld zijn

De mislukte samenwerking van het Stedelijk Museum met bruikleengever de Broere Foundation, noopt tot het trekken van lessen.

Eindelijk is er weer wat te vieren in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Na zeven jaar verbouwing gaan vandaag de poorten van de oudbouw – tijdelijk – weer open. Eindelijk kunnen kunstliefhebbers weer de statige museumtrap beklimmen naar de erezaal. En eindelijk kan er weer gediscussieerd worden over de kwaliteit van de kunst waarmee het tijdelijke Stedelijk zich gevuld heeft. Het is een bescheiden feestje – voor de grootse heropening van de nieuwbouw moeten we nog zeker een jaar geduld hebben – maar toch: het is het vieren waard.

Het Stedelijk maakt zich op voor een nieuwe start. Er is een nieuwe directeur, de Amerikaanse Ann Goldstein. Het oude gebouw aan de Paulus Potterstraat is fantastisch gerestaureerd door de architecten van BenthemCrouwel en zal straks de ideale behuizing vormen voor de vaste collectie. Die negentigduizend kunstvoorwerpen tellende collectie is in de afgelopen jaren door de museumcuratoren nauwkeurig onderzocht en in kaart gebracht en wordt op dit moment verhuisd naar een gloednieuw depot in het Amsterdamse havengebied. Binnenkort komt er bovendien een digitale database van de collectie en een nieuwe website.

Een domper op de feestvreugde was het onverwachte nieuws dat de Broere Foundation deze week zijn samenwerking met het Stedelijk heeft stopgezet. De Broere Foundation is eigenaar van de Monique Zajfen collectie en heeft 26 hedendaagse kunstwerken van sterren als Marlene Dumas en Neo Rauch aan het museum in bruikleen gegeven. Voorwaarde was wel dat het Stedelijk tot 2010 iedere twee jaar de door de stichting geïnitieerde kunstprijs The Vincent zou organiseren. Daarna zou geëvalueerd worden of prijs en collectie bij het Stedelijk ondergebracht konden blijven. Mede omdat het museum geen gebouw had om The Vincent te organiseren en dus niet aan die verplichtingen kon voldoen, is het contract nu verbroken en worden de werken door de Broere Foundation teruggeëist.

De vraag is hoe ernstig dat is. Het Stedelijk zelf lijkt er niet rouwig om te zijn dat de samenwerking met deze bruikleengever over is. Er kleven namelijk ook nadelen aan een constructie als deze. Het museum adviseert welke kunstwerken worden aangekocht, en de stichting stelt daarvoor de financiële middelen ter beschikking. Maar de stichting blijft eigenaar van de werken. En hoewel het museum natuurlijk hoopt dat iedere bruikleenconstructie uiteindelijk wordt omgezet in een schenking, mag het daar nooit van uitgaan. Het risico blijft altijd bestaan dat de collectie wordt teruggetrokken, wat nu dus ook gebeurd is.

Het is niet voor niets dat er in andere landen gedragscodes voor dit soort samenwerkingen bestaan. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld, houden musea de regel aan om geen tentoonstellingen van privécollecties te houden als de bruikleengever daar geen schenking tegenover stelt. En in Engeland wil men bruikleengevers verplichten om, wanneer zij hun kunstwerken terugtrekken en verkopen, vijf procent van de opbrengst af te staan aan het gedupeerde museum. Dat museum heeft die kunstwerken immers al die tijd onderhouden. En door ze te exposeren heeft het museum vaak ook bijgedragen aan waardevermeerdering van die werken.

Tegelijkertijd is het voor musea, juist in deze tijden van economische malaise en dreigende kortingen op kunstsubsidies, van groot belang om goede banden met private sponsors en collectioneurs te onderhouden. Musea moeten steeds ondernemender worden, en zullen in toenemende mate afhankelijk zijn van de generositeit van particulieren. Daarom ook is het jammer dat deze samenwerking publiekelijk is mislukt.

Het Stedelijk verwijt de Broere Foundation op een „improductieve en onwaardige manier via de pers” met het museum te communiceren. Maar in een zorgvuldig onderhouden relatie had het niet zo dramatisch uit de hand hoeven lopen.

Achteraf gezien had het Stedelijk beter kunnen proberen zelf geld in te zamelen voor de schilderijen die het een verrijking achtte voor de collectie, waaronder Neujahr van Neo Rauch en The Believer van Marlene Dumas – zoals het museum dat onlangs met succes gedaan heeft met de aankopen van foto’s van Andreas Gursky en een schilderij van Martin Kippenberger. Nu moet het publiek die werken, waarvan het misschien wel dacht dat ze tot de vaste Stedelijk-collectie behoorden, straks missen als het museum heropent.