Britse adel behandelt kunst als een belegging

Veel kunst en antiek uit kastelen wordt geveild. Niet voor onderhoud aan het bezit, maar om een betere balans in de beleggingen.

Het was een zomeruitverkoop zonder echte koopjes. Een achttiende-eeuwse zilveren wijnkoeler ging weg voor 2,5 miljoen pond. Een door Peter Paul Rubens geschilderd portret van een legeraanvoerder deed 9 miljoen pond. En een gezicht op Rome van de romantische Britse schilder William Turner verwisselde voor bijna 30 miljoen pond van eigenaar.

Britse aristocraten verkochten de afgelopen maanden familieschatten ter waarde van 100 miljoen pond, zo’n 120 miljoen euro. En het waren niet één of twee graven die erfstukken naar de veiling brachten. Volgens een inventarisatie van The Art Newspaper (onder de veelzeggende kop Aristocrats rush to sell the family silver) verkochten recent zeker zeven edellieden bezittingen. In sommige gevallen ging het om grote hoeveelheden kunst en antiek. Zo hield Christie’s begin juli drie veilingen met bezittingen van Earl Spencer, de broer van Lady Di. Opbrengst: ruim 21 miljoen pond.

Een moeilijke economische tijd in combinatie met een willige markt voor topstukken droeg beslist bij aan de adellijke uitverkoop, concludeert The Art Newspaper na een rondgang langs deskundigen. Maar de Britse kunstkrant bespeurt ook een cultuuromslag. Als graven en hertogen in het verleden een schilderij van de muur haalden, deden ze dat om successieaanslagen, scheidingen en het onderhoud van hun country house te bekostigen. Sinds kort is er volgens de krant sprake van een nieuw verkoopargument: de aristocratie beschouwt kunst en antiek niet langer als cultureel erfgoed, maar als bezit. Doel van de verkopen zou het spreiden van de beleggingsportefeuilles zijn.

Is bij standgenoten op het vasteland sprake van een vergelijkbare tendens? Amjad Rauf, als director European collections bij Christie’s in Londen adviseur voor vele Europese aristocraten, is minder stellig dan The Art Newspaper: „Ik bespeur in Europa een vergelijkbare ontwikkeling, maar niet zo sterk als in Groot-Brittannië.”

Ook Europese aristocraten op het vaste land hechten meer aan hun onroerend goed dan aan hun kunst, zegt Rauf. Bij een Duitse hertog neusde de Christie’s-medewerker tien jaar geleden rond op een zolder boven een varkensstal. Tussen allerlei aftandse „5 euro-meubels” zag Rauf onder een kleed een paar sierlijk gesneden pootjes uitsteken. Het bleek om een achttiende-eeuws Tula-tafeltje te gaan, een cadeautje van de tsaar. Het Metropolitan museum in New York kocht het Russische empire-meubel op de veiling voor 700.000 euro.

De kans op zo’n barnfind is aanzienlijk kleiner geworden, zegt veilingspecialist Rauf. Jongere aristocraten zijn veel prijsbewuster dan hun voorouders. „Ze weten niet alleen wat een tractor kost en wat de prijs is van duizend nieuwe bomen, ze hebben zich ook verdiept in de waarde van hun kunstschatten.”

Het veilinghuis beschikt over een netwerk van kleine kantoren in Europa – „consulaatjes”, zegt Rauf – die de markt inventariseren en op verzoek complete inventarissen taxeren. Twee keer per jaar resulteert die inspanning onder andere in een Noble House Sale in Amsterdam, waar kunst en antiek wordt geveild, vaak ingebracht door Duitse edellieden. Het aanbod is de laatste jaren groot, zegt Rauf. „De generatie die in de jaren twintig en dertig is geboren, sterft nu. Zij leefden heel traditioneel en deden zelden iets weg. Hun kinderen, de babyboomers, veilen iets makkelijker.”

Dat de Britse aristocratie niettemin zorgt voor een veel groter aanbod op de veiling, is te danken aan verschillen in erfrecht. Rauf: „Hier worden nalatenschappen gelijkelijk tussen kinderen verdeeld. In Groot-Brittannië gaan de titel en het huis naar de oudste zoon. Dat zorgt voor die enorme kwantiteiten daar.”