Zonder subsidie regeert de markt

Is kunstsubsidie wel nodig? Popmuziek leeft toch zeker van de markt, en cabaretiers en musicals gedijen toch ook zonder bijdragen van de overheid? Maar in de popmuziek zit verborgen subsidie en in cabaret en musical komt het experiment te kort.

Wat hebben Tim Knol, Roos Rebergen en Marien Dorleijn met elkaar gemeen? Ze brachten allen in de afgelopen anderhalf jaar een succesvol album uit, en hebben er een baantje bij om het eigen succes te bekostigen. Tim Knol werkt in een Amsterdamse platenzaak. Roos Rebergen (Roosbeef) staat achter de bar in een Utrechts café. Marien Dorleijn van Moss werkt in een bouwmarkt in Utrecht.

In de kunstwereld in het algemeen stijgt de zenuwachtigheid over de bezuiniging op subsidies, zeker met Wilders’ PVV in of net buiten een kabinet. Maar in de popmuziek is het tot nu toe rustig en reageert men nauwelijks op de dreigende bezuinigingen. Begrijpelijk: van oudsher hebben popmuzikanten een doe-het-zelf mentaliteit. Daar hoort het hengelen naar overheidssubsidies niet bij. Bovendien zaten de fondsen die de subsidies verdelen lange tijd ‘op slot’ voor popmuzikanten. „Schrijvers krijgen een stipendium, filmmakers stappen naar het Filmfonds. Maar waar moet de popartiest heen?” aldus Ferry Roseboom, mede-eigenaar van het Nederlandse platenlabel Excelsior.

Muzikanten, producers, platenmaatschappijen en pluggers hebben van oudsher wel wat anders te doen dan zich naar subsidiestad Den Haag te begeven. Voor hen gloort het goud in het Gooi: in Hilversum. Wie er in slaagt zijn plaat op de radio te krijgen, heeft toegang tot de markt.

Die doe-het-zelf mentaliteit legde de Nederlandse pop de afgelopen jaren geen windeieren. Sterker, de Nederlandse pop stond er zelden zo goed voor. Diskjockey Armin van Buuren en gothic band Within Temptation krikken de Nederlandse handelsbalans op; Caro Emerald en Waylon voeren de hitlijsten aan; de debuten van Roosbeef, De Staat en Kyteman worden geroemd om hun artistieke visie.

Zonder subsidie – heet het. Maar dat is niet helemaal waar. Alleen laat overheidssubsidie zich moeilijk meten. Muziek Centrum Nederland schat de jaarlijkse subsidie aan alle professionele muziek in Nederland op 260 miljoen euro. Zo’n 21 miljoen gaat naar popmuziek .

Een belangrijk deel van die gelden, 19 miljoen euro, is afkomstig van de gemeenten. Provincie en rijk investeren nauwelijks in popmuziek. De gemeenten investeren vooral in ‘bakstenen’; in poppodia dus en, in mindere mate, festivals. Een deel van die gemeentelijke gelden vloeit overigens weer terug in de gemeentekas; de besturen van de poppodia betalen immers huur aan de gemeente.

De gemeentesubsidies zijn van levensbelang voor veel poppodia. Bijna een kwart van de omzet van deze zalen bestaat uit subsidie, berekende de Vereniging van Poppodia en Festivals in 2008.

Voor de grotere zalen ligt dat percentage lager. Zo bestaat acht procent van de omzet van Paradiso uit (voornamelijk gemeentelijke) subsidie, tegen veertig procent van de omzet van het Nijmeegse Doornroosje. De rest van de omzet haalt Paradiso uit de verkoop van bier, kaarten en enkele subsidies voor individuele projecten.

De directe rijkssubsidie voor popmuziek komt uit op een krappe twee miljoen euro per jaar. En die gaat op aan festivals als Amsterdam Dance Event en Noorderslag, Muziek Centrum Nederland en projectsubsidie voor buitenlandse tournees, voor het maken van een videoclip of voor het schrijven van een aantal nieuwe composities.

Verder moet de popmuzikant het vooral alleen rooien – al dan niet achter de kassa of achter de bar of, zoals Spinvis aan het begin van zijn carrière, als postsorteerder in de nacht. Hoe maak je een cd als je drie dagen in de week in de bouwmarkt werkt, zoals Marien Dorleijn van Moss? En hoe ga je met een eigen band op tournee als je niet meer dan studiefinanciering hebt, zoals Torre Florim van De Staat?

Er zijn grofweg twee manieren om een cd te maken. Een muzikant kan met hulp van een platenmaatschappij een plaat opnemen. Of hij neemt de plaat zelf op, maar krijgt dan vaak later problemen met de distributie en de promotie.

In het eerste geval neemt de platenmaatschappij de kosten voor zijn rekening, die tussen de 15.000 en 20.000 euro liggen, en wordt het label eigenaar van de opnamen. Om die investering terug te verdienen moet het tussen de 2.000 en 5.000 exemplaren verkopen. Een op de drie albums, schat Roseboom van Excelsior, levert geld op. De artiest krijgt in dat geval royalties, wat neerkomt op een à drie euro per verkochte cd.

Dat gold ook voor Moss. In 2007 maakte de Amsterdamse gitaarband zijn debuut op Excelsior. Daar kenden ze zanger/gitarist Dorleijn al, uit de tijd dat hij in de band Caesar speelde. Drie jaar werkten Dorleijn en de zijnen aan The Long Way Back, vooral in de avonden en de weekeinden. Doordeweeks gingen ze naar hun werk; dan verkochten ze hout of bouwden ze websites.

The Long Way Back maakte de verwachtingen niet waar. De plaat bevatte voornamelijk serieuze luisterliedjes. Die waren lang niet slecht, maar ze nestelden zich niet in je hoofd. Er werden tweeduizend exemplaren verkocht.

Dat het tweede album er toch kwam, lag voornamelijk aan de platenmaatschappij. Zij geloofden in ons, weet Dorleijn. „Ze zeiden: ‘We weten dat jullie ooit een album maken dat wél verkoopt’.”

En dus gingen de bandleden aan de slag. Ze gebruikten hun vrije dagen om te brainstormen in Engeland, bij familie van gitarist Bob Gibson, en namen de plaat uiteindelijk op in een studio, even buiten Amsterdam, tegen de A1 aangeplakt. „Luister je goed, dan hoor je de auto’s voorbij zoeven”, gnuift Gibson.

Never be scared/Don’t be a hero kwam in september 2009 uit; een meeslepende plaat, met grootste gebaren, uitwaaierende gitaren, harmonieuze samenzang en uptempo songs. De plaat werd goed onthaald en al snel volgde een reeks succesvolle optredens op toonaangevende festivals. Zo stond de band op Noorderslag, Motel Mozaïque en afgelopen weekeinde op Lowlands.

Inmiddels zijn er ruim vijfduizend exemplaren van Never be scared/Don’t be a hero verkocht, heeft Moss een platencontract in Engeland getekend en maakt de band zich op voor een aantal optredens in Frankrijk.

Torre Florim, van De Staat, koos voor de tweede mogelijkheid. Hij maakte zijn debuut, Wait for Evolution, zelf, achter de computer in zijn toenmalige anti-kraakwoning, voor een spreekwoordelijke appel en een ei. „Ik werkte met twee microfoons, een oude laptop die veel lawaai maakte en hifi-speakers die ik had gekregen. Al met al was ik voor zo’n 2.500 euro klaar.”

Dat bedrag betaalde hij uit zijn studiefinanciering en uit het productiewerk dat hij voor andere muzikanten deed. Inmiddels heeft hij wel een ‘in licentie deal’ met Excelsior, die de cd voor hem uitbrengt in de Benelux, terwijl Florim eigenaar blijft van de opnamen.

Wait for Evolution, dat begin 2009 uitkwam, bevat een bejubelde mix van zompige rock, slepende roots en swingende blues. De plaat was direct een groot succes; nog voor hij uitkwam, toerden Florim en zijn bandleden al in het voorprogramma van de Belgische band dEUS.

Voor de optredens zocht Florim een band bij elkaar. Net als de collega’s van Moss sjouwde De Staat alles zelf. Alleen voor de grotere festivals huurde Florim een geluidsman in, en een tourmanager. „Al moet je je erbij neerleggen dat zij meer verdienen dan jij of de andere bandleden. De muzikanten hebben er allemaal baantjes naast, in cafés of restaurants.”

Recent trad de band op in Canada, Engeland en Duitsland. Die optredens zijn een kostbare aangelegenheid; De Staat kan dat zelf niet financieren. Maar de groep kwam vanwege het succes van Wait for Evolution in aanmerking voor MusicXport; een financiële regeling van Muziek Centrum Nederland voor buitenlandse tournees. De band kreeg 15.000 euro.

MusicXport is dus een van de relatief weinige financiële regelingen voor popartiesten – voor in totaal 66.000 euro in 2010. Dat heeft vaak effect: een goed voorbeeld is Within Temptation, de gothic metal band die met hulp van de regeling een succesvolle carrière opbouwde in Duitsland.

Maar structurele subsidie voor groepen, zoals die bestaat voor theatergezelschappen, bestaat niet. Er is maar één popgroep bekend die structureel geld krijgt: De Kift. In de periode 2009-2012 krijgt de band uit Noord-Holland bijna een miljoen euro van het Fonds voor de Podiumkunsten.

Daarvoor moet de band niet alleen platen maken en optreden, ook maken de bandleden filmmuziek, spelen ze in theatervoorstellingen, geven ze workshops aan scholieren, doen ze onderzoek naar de eigen achterban.

Waarom is De Kift de enige gesubsidieerde popband? Dat ligt niet alleen aan het Fonds, maar ook aan de muzikanten zelf. Zo merkte het Fonds vorig jaar, bij de verstrekking van de volgende ronde vierjarige subsidies, op dat de aanvragen van de meeste popmuzikanten en popfestivals onder de maat waren. Het ontbrak hen aan artistieke visie en goede financiële onderbouwing in hun aanvragen, aldus het Fonds dat onder meer de aanvragen van het Metropolis festival en Spinvis afwees.

Als het om verkrijgen van subsidie gaat, laat de popsector het er dus op grote schaal bij zitten. Omdat ze nooit in staat is geweest zich goed te organiseren, maar ook vanuit een zekere arrogantie: lange tijd kwam er immers toch genoeg geld binnen.

Maar die gebrekkige organisatie en de daarbij horende afwezigheid in Haagse subsidiecircuits heeft wel degelijk gevolgen, merkt Roseboom van Excelsior op. „Dat popmuziek nog altijd in een hoger btw-tarief valt bijvoorbeeld, of dat er geen echte discussie is gevoerd over het illegale delen van bestanden, ligt ook aan ons. Wij brengen onze belangen niet goed voor het voetlicht in Den Haag. Daardoor dreigen de weinige subsidies voor popmuziek straks, onder een rechts gedoogkabinet, als eerste te worden afgeschaft.”

Maar moet je popmuziek wel willen subsidiëren? Lange stilte. Dan, zegt hij, aarzelend: „Ja. Toch. Om het experiment aan te gaan. Ik kan niet drie maanden de Wisseloord Studio’s afhuren en tegen Anne Soldaat of Spinvis zeggen: ‘Maak maar iets moois’. Nu pleit ik niet voor zakken geld uit Den Haag om stuk te slaan in dure studio’s, maar ergens is er een middenweg. Daar kunnen artiest, ondernemer en overheid samen iets moois maken.”