Weg met die sleetse excuses

De ‘gewone man’ komt in opstand tegen kunstsubsidie. De kunstsector moet nu écht creatief worden.

In de bezuinigingsijver die het land in haar greep houdt, staan onder meer de subsidies voor de kunsten onder druk. Zeker de PVV maar ook de VVD heeft het op dit relatief kleine deel van het onderwijsbudget gemunt. De reactie van de kunstwereld is voorspelbaar. Steeds wanneer subsidiegelden aan de orde zijn volgt een rituele dans met bezwerende formules die de kunstsubsidies heilig maken en degenen die er maar naar durven te wijzen als filistijnen brandmerken. Tot nu toe heeft de rituele dans wonderwel gewerkt. Daar zou wel eens verandering in kunnen komen.

Dat de situatie anders is, heeft veel te maken met de opkomst van de PVV. Die opkomst staat voor een opstand van de ‘gewone man’ die weinig opheeft met thema’s als diversiteit, globalisering, en de multiculturele samenleving, die zich opwindt over de aantasting van allerlei zekerheden zoals de AOW en zijn gezondheidszorg, en die uiteenspat bij de gedachte alleen al dat de elite subsidiegelden eist voor haar speeltjes. In de al bijna twintig jaar die ik als cultureel econoom heb besteed aan het onderwerp van de subsidiëring van de kunsten, heb ik me steeds afgevraagd wanneer die opstand zou komen. Want in de vele bijeenkomsten over het onderwerp die ik mocht bijwonen, bemerkte ik een sluimerende verontwaardiging over de subsidiëring van onbegrijpelijke kunst, een verontwaardiging die omslaat in verbijstering en woede als duidelijk werd hoe groot die subsidie wel niet is. Dus als „die” mensen naar „dat” theater gaan, legt de overheid het tienvoudige bij het bedrag dat „hullie” betalen? 300 euro subsidie op een kaartje van 30 euro?? En als „ze” met „hun allen” in een zaal gaan zitten om naar zo’n ‘afgezaagd’ stuk muziek van „zo’n duf” symfonieorkest te luisteren, geeft de overheid een ton subsidie? En meer dan dat bij „zo’n idiote” opera? En hij wel gewoon betalen voor zijn musical en zijn kinderen flink dokken voor Lowlands. Weg met die subsidies!

De argumenten die de kunstlobby steevast inzet om de subsidies veilig te stellen, lijken niet meer bestand tegen de opstand van de gewone man. Ik onderscheid vier genres van argumenten.

De artistieke/culturele argumenten komen erop neer dat Kunst – met een hoofdletter K – goed is en dat Kunst moet. We hebben daarom dure programma’s nodig zodat onze kinderen leren dat Kunst goed voor ze is en de subsidies moeten ervoor zorgen dat Kunst blijft moeten wanneer ze volwassen geworden zijn. De gewone man ziet het anders. Waarom zou het ballet beter voor hem zijn dan, pakweg, Riverdance? Zijn mensen die zich met Kunst bezighouden, soms beter? Wat is er dan wel zo verheven aan die „saaie en onbegrijpelijke” schilderijen? Word je dan echt beter van die negatieve en sombere voorstellingen die voor Kunst moeten doorgaan? Wat een arrogantie overigens om te suggereren dat er zoiets is als hogere cultuur. Als de elite vindt dat haar cultuur zo hoog is, laat ze er dan ook zelf voor betalen. Volgende argument.

De sociale argumenten wijzen op de sociale waarden van de Kunsten. Kunst zou mensen binden en verbinden. Daarom is het zo belangrijk dat de nieuwe Nederlanders en kinderen uit Vogelaarwijken ermee in aanraking komen. Daarbij zouden de Kunsten bijdragen aan ons gevoel van eigenwaarde en is Nederlandse Kunst goed voor de Nederlandse identiteit. De gewone man kan weinig met die argumenten. Hij ziet vooral hoe de Kunsten de tweedeling in de samenleving versterken want ook al zou hij willen profiteren van al die subsidies, hij voelt zich hoe dan ook niet thuis in die gesubsidieerde kunstwereld. En die ongesubsidieerde André Rieu die overal in de wereld grote massa’s vermaakt, maakt hem trotser dan het Concertgebouworkest en het Nationale Ballet bij elkaar.

Omdat de culturele en sociale argumenten lastig te verkopen zijn in de confrontatie met de gewone man, grijpt de kunstlobby tegenwoordig gretig naar economische argumenten. Daarvan heb je oude en nieuwe. De oude economische argumenten wijzen erop dat de markt voor Kunst niet goed werkt en dat daarom overheidssteun onontbeerlijk is. De gewone man kan dat argument gestolen worden, want hij zelf taalt niet naar Kunst. Dat hij er indirect wat aan zou hebben, zoals kunsteconomen willen beweren, begrijpt hij niet. Exit oude argumenten. Nieuwe argumenten wijzen op het belang van Kunsten voor de economie. De nieuwe economie vraagt om creativiteit en daar is de Kunst goed voor. Daarbij trekt Kunst toeristen. Klinkt goed. Maar het argument is riskant. Want als er verdiend wordt aan de Kunsten, zijn ze blijkbaar niet weerloos, zoals de elite beweert. Laat het argument doorwerken op de gewone man en hij kan zelf bedenken dat niet hij maar de bedrijven die aan de Kunsten verdienen, ervoor moeten betalen. Of de toeristen.

Ten slotte zijn er nog de praktische argumenten zoals dat het maar om 1 procent van de rijksbegroting gaat, en dat het snijden in subsidies enorm veel gedoe geeft en veel schade aanbrengt. Maar dat alles laat de gewone man koud.

Het moge duidelijk zijn, in dit klimaat zijn de subsidies voor de kunsten niet veilig. Daarbij komt dat de culturele sector deels door eigen toedoen kwetsbaar is geworden. Want het valt niet te ontkennen dat er van alles en nog wat niet klopt zoals het nu gaat. Het aanbod van kunstenaars en gezelschappen is bijvoorbeeld veel te groot; theaters kunnen het aanbod niet aan. Gezelschappen die zichzelf proberen te bedruipen krijgen vrijwel geen kans in de oneerlijke concurrentie met gesubsidieerde gezelschappen. Veel gesubsidieerde organisaties werken inefficiënt, en sommige theaters hebben gewoon te veel geld om veel te veel reclame te kunnen maken. Te veel van het aanbod wordt aanbodgestuurd en houdt weinig rekening met het publiek. Te veel voorstellingen en voorzieningen zijn gewoon te goedkoop. De inzet van provinciegelden is moeilijk te verkopen als lokale en nationale overheden zich al met de kunsten belasten. En creatieve instellingen zijn opmerkelijk conservatief wanneer het gaat om de financiering van hun creativiteit. Mede door hun gebrek aan verbeelding blijft de bereidheid van vermogende Nederlanders om aan de Kunsten te doneren laag.

Het goede van deze situatie is dat het dwingt tot een fundamenteel doordenken van het hoe en waarom van de subsidiëring van de kunsten. Stel als we een streep door alle subsidies zouden trekken. Zouden de Kunsten dan verdwijnen? Natuurlijk niet. Dan zullen wat wij economen de optie- en bestaanswaarden van de Kunsten noemen duidelijk worden. Te veel mensen hebben graag de optie naar het museum te gaan, ook al gaan ze niet, of hechten waarde aan het bestaan van een museum ook al komen ze er nooit. Door de vanzelfsprekendheid van de kunstsubsidies raken mensen het gevoel van de waarde van de Kunsten kwijt.

Het experiment geeft te denken. Hoe kunnen mensen en dus ook de gewone man, het gevoel voor de waarde van de kunsten krijgen of terugkrijgen? Is het denkbaar dat kunstenaars en culturele organisaties zich nadrukkelijker manifesteren in het dagelijks leven? Dat ze bewuster bezig zijn met wat mensen kan beroeren en inspireren? Zijn er kansen voor kunstenaars in een economie die om creativiteit schreeuwt?

En wat die zogenaamde moeilijke Kunst betreft, een beschaafde wereld heeft die Kunst nodig, net als ze serieuze wetenschap nodig heeft: als bron voor kennis en creativiteit. Organiseer en financier haar in een academische setting, zoals dat in de VS gebeurt.

Kortom, wanneer de druk groot is, wordt alles vloeibaar. Het is hoog tijd voor de culturele sector om sleetse excuses los te laten, en creatief en innovatief te worden in het realiseren van de waarden die de Kunsten hoe dan ook hebben.

Arjo Klamer is hoogleraar culturele economie aan de Erasmus Universiteit. Hij dankt zijn collega’s voor hun inbreng.