Wees toch hoffelijk, en niet zo haastig

‘Dat wat wij vooruitgang noemen is slechts de vervanging van het ene nadeel door het andere’, aldus psychoanalyticus Havelock Ellis. Autobiograaf Denis Grozdanovitch kan zich daar ook goed in vinden.

Denis Grozdanovitch: De moeilijke kunst van het bijna-nietsdoen. Vertaald door Frans de Haan. Mouria, 270 blz. € 18,95

‘In de zomer is het favoriete moment van mijn dagen het ogenblik waarop ik, na de middagmaaltijd, rustig op weg ga naar onze steiger aan de rivier, onder de grote eikenboom waar ik mijn hangmat heb opgehangen. Ik installeer me er dan comfortabel in, met een dik (bij voorkeur heel ondoorgrondelijk) filosofieboek in de hand, en als ik met weinig aandacht een tiental regels heb gelezen, heb ik in het algemeen niet meer nodig om weg te glijden in wat ik een oppervlakteslaap zou noemen [...]’.

Het goede voorbeeld weegt zwaarder dan een doorwrocht betoog, en daarom is het gepast dat Denis Grozdanovitch (1946) ons in De moeilijke kunst van het bijna-nietsdoen deelgenoot maakt van zijn dagritme. De zomers brengt hij in Franse traditie op het platteland door, maar ook in Parijs lijkt zijn leven best vol te houden: ’s ochtends voorziet hij schrijvend in zijn levensonderhoud, ’s middags oefent hij zich in jeu de paume (een soort archaïsch tennis), slentert langs de Seine en in de Jardin du Luxembourg, speelt schaak en kijkt uit naar nieuwe exemplaren voor zijn reeds uitpuilende boekenverzameling.

Indachtig een opmerking van filmmaker Michel Audiard – ‘Dat je [bijna] niets te zeggen hebt betekent niet dat je je bek moet houden’ – doet Grozdanovitch in de hier gebundelde artikelen en essays verslag van alledaagse belevenissen als het bezoeken van lezingen (‘aangezien ik nooit een gelegenheid voorbij laat gaan me verrukkelijk te vervelen’), toneelpremières en slaapverwekkende tennispartijen op Roland Garros. Hij bericht ook van wat hij droomt, wat hij op de radio hoort en welke belangwekkende gedachten er in hem omgaan wanneer hij aan het ontbijt ziet dat er een barst in zijn theekopje zit.

De moeilijke kunst van het bijna-nietsdoen bevat echter ook scherpe analyses van een maatschappij waarover een flaneur, iemand die eerder waarnemer dan deelnemer is, zich wel moet verbazen. Het is een wereld met een onnavolgbaar tempo, bevolkt door mensen ‘met een onwrikbaar geloof in de deugden van de moeizame inspanning’, die zichzelf voortdurend voorbijlopen en zelfs hun vrije tijd ‘al bij zonsopgang als bezetenen besteden’.

Dit doelmatig fanatisme zou je met geamuseerd mededogen kunnen bekijken als het niet verantwoordelijk was voor de ondergang van onze planeet. Uitgaand van een dodelijk ongeval in zijn kennissenkring – in Parijs telt het leven van een fietser minder dan de haast van automobilisten – komt Grozdanovitch tot een hard oordeel over de toestand van de wereld. Onze obsessie voor snelheid, rijkdom, kwantiteit gaat overduidelijk ten koste van hoffelijkheid, geluk, kwaliteit.

De arrogantie van de theorie, culminerend in de huidige technocratie, is in de plaats gekomen van ‘het simpele gezond verstand’. Onze invloedrijkste wetenschap is de economie, maar dat is nu juist een schijnwetenschap: vraag twee deskundigen welke economische maatregel er nu absoluut genomen moet worden, en je krijgt twee exact tegengestelde antwoorden. Het dogma van de onbegrensde expansiedrift leidt tot milieurampen, waarvoor we onze ogen sluiten. ‘Een verstandige negatieve groei’ zou de beste oplossing zijn, maar onze regeringsleiders bedenken uitsluitend plannen voor de korte termijn, om de financiële crisis te bezweren.

Tegenover het dwaze vooruitgangsdenken (met instemming citeert hij psychoanalyticus Havelock Ellis: ‘Dat wat wij vooruitgang noemen is slechts de vervanging van het ene nadeel door het andere’) stelt Grozdanovitch de kunst van het bijna-nietsdoen, waarvoor hij inspiratie put uit de oosterse filosofie, met name het taoïsme. Een uiterst moeilijke kunst, wegens onze ‘ingewortelde neiging actief te zijn’, van welk kwaad ook de auteur nog niet helemaal bevrijd is: zo blijkt hij, tot zijn eigen schrik, een opdracht te hebben aanvaard om op stel en sprong een tijdschriftartikel over luiheid te schrijven.

Opmerkelijk aan Grozdanovitch’ biografie is dat hij eerder als man van de daad dan van de geest leek voorbestemd. Op zijn zeventiende was hij Frans jeugdkampioen tennis, en na zijn overstap naar squash domineerde hij die sport jarenlang. Hij zegt met enige verbittering terug te kijken op wat de topsport hem in zijn jaren van jeugdig talent heeft ontnomen: ‘de heilzame vreugde van de belangeloze inspanning zonder bijgedachte’. Tegenwoordig draagt hij de amateursport een warm hart toe en bekijkt hij de verrichtingen van de ‘professionele tennisbeesten’ op Roland Garros met een mengeling van ‘fascinatie en extreme scepsis’.

Sinds een aantal jaren is Grozdanovitch een tamelijk succesvol schrijver. Zijn ware roeping, zegt hij zelf, is die van lezer; in zijn bundel is hij dan ook kwistig met citaten van schrijvers en (oosterse) filosofen. Ten aanzien van zijn eigen schrijven is een kleine waarschuwing op zijn plaats. Natuurlijk had dit humoristische, erudiete, bijzonder inspirerende boek over het ongehaaste leven niet in staccato zinnetjes geschreven kunnen worden, maar geregeld voert Grozdanovitch zijn zinsvertakkingen zover dat ze een struikgewas vormen waar geen doorkomen meer aan is. Overbodig te zeggen dat dit het zwaar worden van de oogleden na het middagmaal allergunstigst beïnvloedt.