Vooruit naar waar de toekomst lonkt

Wat maakt je tot een dichter, of een schrijver? Het is de centrale vraag in bijna alle verhalen van de nieuwe bundel van Remco Campert. De 81-jarige meester schuwt het experiment niet.

Remco Campert: Om vijf uur in de middag. De Bezige Bij, 142 blz. € 15,90

‘Misschien was de leeftijd wel aangebroken om met zekere virtuositeit wat kleine werkjes af te scheiden’, mijmert Remco Camperts alter ego in Een liefde in Parijs (2004). Het is precies wat Campert heeft gedaan. Nadat de oude meester stopte met zijn tweedagelijkse column in de Volkskrant, publiceerde hij niet alleen de bescheiden roman Het satijnen hart en de Beckett-variatie Het avontuur van Iks & Ei, maar ook de klein-maar-fijne dichtbundel Nieuwe herinneringen. En nu, een maand na Camperts 81ste verjaardag, verschijnt een bundeltje korte verhalen – allemaal nieuw, op het middenstuk van het titelverhaal na. Dat laatste is trouwens een interessant experiment: Campert nam het groezelige reisverhaal ‘Notities van een ander’ uit Hoe ik mijn verjaardag vierde (1969), herschreef en bekortte het, en voorzag het van ‘zijpanelen’. Het resultaat is een sfeervol drieluik over een huurmoordenaar-wapensmokkelaar die omwille van de liefde uit zijn oude leven stapt.

Oncampertiaans, zou je zeggen, aangezien het verhaal zich afspeelt in een gefantaseerd Zuid-Amerika en niet in de kunstkringen van de twee hoofdsteden die we uit het werk van Campert zo goed kennen. Maar dat is schijn, want de thema’s van het verhaal – nostalgie en de vergeefsheid van het leven – zijn vertrouwd, en bij wijze van knipoog laat Campert zijn hoofdpersoon als dichter zijn laatste dienstreis maken. ‘Hij kon zich voorstellen dat een dichter zijn neus volgt zonder om te kijken, op zoek naar plekken waar poëzie kon ontstaan. Het was ook mogelijk dat de poëzie hem schaduwde en met haar onzichtbare aanwezigheid hem dwong andere, onvoorziene wegen in te slaan.’

Wat maakt je tot een dichter, of een schrijver? Het is de centrale vraag in bijna alle verhalen van Om vijf uur in de middag. ‘De scholier’, over een jazzminnende puber met een dominante vader, eindigt met de beslissing van Jochem Penning om nooit meer terug naar die rotschool te gaan en zijn schrijfambities te volgen. ‘Luchtdichter’ beschrijft drie dagen uit het leven van een uitgerangeerd auteur die droomt van poëzie die vergelijkbaar is met de ‘muziek’ die een luchtgitarist aan zijn imaginaire instrument ontlokt. ‘Crisis’ gaat over een oud geworden schrijver die vast zit in zijn werk en in zijn relaties. Zelfs ‘Seks met dieren’, waarin een geitneuker van zijn psychiater de opdracht krijgt zijn levensverhaal op te schrijven, gaat over het ambacht van de schrijver en de geheimen van de inspiratie: ‘wat je schreef begon nooit en eindigde nooit. Met je ogen dicht plonsde je in de woorden die op je lagen te wachten. Soms kwam je boven om naar adem te happen en de opgedoken woordenschat aan de wereld te tonen.’

Hoe melancholiek de verhalen van Campert ook zijn, er is altijd de humor (en af en toe een flauwiteit) om de treurigheid te verlichten. De bestialist heeft zijn vriendin opgedaan bij een bijeenkomst van de Dierenpartij. De modderende oude schrijver antwoordt op de vraag of hij zijn vrienden vergeten is: ‘Ik probeer mezelf bij elkaar te houden. Druk, druk.’ De scholier moppert op volwassenen met hun eeuwige gezeur over ‘prachtige uitzichten’. En in het geestigste verhaal van de bundel, ‘Bestseller’, geeft Campert het woord aan een branie van zestien die in de voetsporen van de onverbiddelijke Jan Cremer wil treden.

‘Ik, Wim Klein, wil neuken en wel zo snel mogelijk,’ luidt de eerste zin van ‘Bestseller’. Waarna dit wonderkind in spe zijn schrijftalent toont door ons aanstekelijk over zijn amuzische leven als zoon van een sigarenhandelaar te vertellen. Boeken heeft hij nooit gelezen, zelfs voor een exemplaar van Ik Jan Cremer moet hij naar zijn oma, die een blauwe maandag in het mondaine leven van de jaren zestig heeft verkeerd. En zijn wijsheden over de schrijfkunst haalt hij letterlijk uit de vuilnisbak, uit een ‘blaadje van een “schrijversschool”’. Vooral de theorie over de eerste zin boeit hem. ‘Met die eerste zin moet je de lezer meteen bij zijn kladden pakken en het boek in sleuren’, maar tegelijkertijd zijn er zinnen – zoals ‘Bloed gutste uit de gapende wond’ – die die misschien goede beginzinnen voor een lezer zijn, maar niet voor een schrijver. Er schiet Wim daarna namelijk niets te binnen.

De zin is iets dat ook Wims geestelijke vader mateloos interesseert. Campert blijft een dichter, zijn stijl rust op gave, humoristische, kernachtige zinnen van het kaliber ‘Alleen maar vooruit, naar waar zijn toekomst lonkte’ en ‘Als alles voorbijging, waarom was het er dan geweest?’ Maar hij schuwt het experiment niet, zoals in het miniverhaal ‘Chimères’, waarin hij een gebrekkig pratende Balkanvluchteling aan het woord laat – in zinnetjes die poésie parlante lijken (zie kader). Het aandoenlijke effect wordt later in de bundel verder onder spanning gezet doordat deze Milo een van de slachtoffers van de moordenaar-dichter uit het titelverhaal blijkt.

Om vijf uur in de middag is een ode aan de zin, maar ook een mooie variatie op de oude Campertthema’s, van jeugdige hemelbestorming tot verloren liefde. Kniesoren mogen zeggen dat 130 dunbedrukte pagina’s wat weinig is voor een volwaardige verhalenbundel, maar zoals altijd gaat het om het soortelijk gewicht. Dit is genoeg: een stuk of wat verhalen – tenminste als Campert ze geschreven heeft.