Sprinten door de tijd langs zemen en sponzen

Cover van het boek Terrein van Erik Lindner

Erik Lindner: Terrein. De Bezige Bij, 50 blz. € 15,-

Terrein heet de vierde dichtbundel van Erik Lindner. Na Tramontane (1996), Tong en trede (2000) en Tafel (2004) koos hij dus opnieuw een titel met als eerste letter T. Dat vooronderstelt een systeem, een verwijzing naar de T-kruising, of een andere suggestie. Het wordt verleidelijk om zijn bundels na te lopen op alle woorden die met een T beginnen, maar dat is een zinloze actie. Als iets kenmerkend is voor de poëzie van Lindner, dan is dat het ontbreken of, sterker nog, het moedwillig ontlopen van een systeem.

Desoriëntatie is de rode draad. De omslagillustratie van Terrein is daarvoor typerend. Van achter- naar voorplat loopt een foto van een terrein waarop één rode bestelwagen met ladder en zwaailichten staat geparkeerd. Achter die auto doemt een metershoge muur op, met daarbovenop een luidspreker. Die muur is beschilderd met een parklandschap dat via een asfaltweg uitweg biedt naar een meer. Achter de muur ligt een industrie- of havengebied. Dat althans suggereert het smalle vergezicht dat zichtbaar is tussen de bovenzijde van de muur en de onderkant van een donkere balk met een verbodsbord en een op rood staand verkeerslicht. Een kleine doorgang, links op het achterplat, toont fragmenten van een boom en een hekconstructie achter de muur. Wat is hier het Terrein?

De bundel opent met een prozagedicht dat een vliegveld beschrijft. Dat gebeurt ogenschijnlijk consequent, maar opvallend is dat het cameraoog van de dichter rusteloos tussen groothoek- en telelens zwenkt. ‘Het meer tussen witte rotsen,’ ‘Oordempers van straatwerkers’, ‘De nooddeur voor het personeel’, ‘De walvishuid van zee’, ‘Luxaflex die ruisend omlaagzeilt’ – niets ontgaat de zappende blik van Lindner.

Dat geldt ook voor de volgende verzen, te beginnen met het achtluik ‘Steiger en boeg’. Daarin wordt een havengebied met het oog beroken. Heel zintuiglijk en met ultieme aandacht voor motoriek, zoals in regels als ‘De duw waaruit een spons zeemt’. Zemen, sponzen, bezems en dweilen zijn trouwens frequente instrumenten in Terrein. De eliminerende werking ervan lijkt belangrijker dan de reinigingskracht. Bij Lindner zijn ze, denk ik, vooral beeldenwissers. Ook daardoor ontstaat een caleidoscopisch wereldbeeld, waarin niets beklijft, en waarin de lezer evenmin een kans krijgt om iets te laten beklijven. ‘Herstel wat veraf is,’ stellen de slotregels van de cyclus over het havengebied: ’Onderdruk wat / vooraan staat. Kiept het kantelraam / en duikelt de kijker in de tuin.’

Een echo van deze optische kwinkslag bieden de slotregels van de afdeling ‘Hoe je de stad ook uit loopt, je keert terug langs de rivier’. Ook daarin wordt in acht verzen onbestemd een terrein verkend. En wanneer je als lezer denkt dat je het traject begint te doorgronden, grijpt de camera in: ‘een muur hakt een stuk in de lucht / er valt regen in je notitieboek // een meisje vraagt je de weg / vertel je die dan raak je haar kwijt.’ Meisje kwijt dan – maar ook de weg.

Net als de vorige bundels biedt Terrein geen makkelijke poëzie. Lindner communiceert niet. Hij sprint door plaats en tijd. Soms doet hij dat in prachtige beeldspraak, zoals ‘uit de tunnel klinkt de hoefslag van de trein’, die in het volgende vers in een wit, naar dichtbegroeide rails hinkend paard uitmonden. Maar vaker is niet te duiden wat de dichter laat zien. Lindner laat de werkelijkheid in Terrein opnieuw ontsporen. Dat kan irritatie opwekken, maar ook verwondering.