Muzikaal genie en zwart boegbeeld

Harvey Cohens biografie over Duke Ellington lijkt soms op het verslag van een belasting-ambtenaar. Maar zijn boek over de grote jazzlegende laat ook zien hoe belangrijk hij was voor de zwarte Amerikaanse cultuur.

Duke Ellington in het Parijse Olympia in 1958. Foto AP/Herman Leonard This 1958 photo released by Herman Leonard Photography, shows jazz great Duke Ellington playing the piano at the Olympia Theater in Paris. Leonard said that when he poked his camera through the curtain backstage he was happily surprised to find Ellington "bathed in celestial light," and when he shot this picture, Ellington heard the click of the camera and gave Leonard a wink. (AP Photo/Herman Leonard Photography, LLC., CTSIMAGES) **MANDATORY CREDIT, NO ARCHIVES, NO SALES, NO CROPPING** ASSOCIATED PRESS

Harvey G. Cohen: Duke Ellington’s America. The University of Chicago Press, 688 blz. € 39,-

De ‘Neger-Strawinsky’ werd Edward Kennedy ‘Duke’ Ellington (1899- 1974) soms genoemd. En al schreef Igor Strawinsky composities voor jazz-ensembles en was hij, net als Ellington, een eclecticus, in Duke Ellington’s America maakt Harvey G. Cohen niet veel werk van deze vergelijking. Volgens Cohen, een Amerikaans cultuurhistoricus aan het King’s College in Londen, wilde Ellington zelf niets weten van vergelijkingen met Europese componisten van klassieke muziek. Weliswaar wilde hij nadrukkelijk ‘serieuze’ muziek maken, maar die moest Amerikaans zijn, en niet Europees. Bovendien was entertainment een belangrijk onderdeel van zijn werk: op bijna alle concerten die hij met zijn big band tot het einde van zijn leven bijna dagelijks gaf, speelde hij ook dansmuziek. Die was geworteld in de zwarte muziek, zoals de blues en de gospels die de autodidact Ellington in zijn jeugd op de piano leerde spelen.

Door zijn vermenging van serieuze blanke en populaire zwarte muziek was Duke Ellington volgens Cohen de eerste componist van puur Amerikaanse muziek. Andere Amerikaanse componisten, zelfs George Gershwin, leunden te zeer op de traditionele Europese kunstmuziek om voor deze kwalificatie in aanmerking te komen, betoogt Cohen enkele malen in zijn uitputtende studie.

Verhoudingen

Een complete biografie is Duke Ellington’s America niet. Over het persoonlijke leven van de grootste jazz-musicus van de 20ste eeuw schrijft Cohen niet veel meer dan dat Ellington als twintiger trouwde, een zoon kreeg, scheidde en vervolgens enkele langdurige verhoudingen had. De vele vrouwen met wie hij het bed deelde, komen slechts een paar maal kort ter sprake en blijven anoniem. Wel beschrijft hij hoe Ellington zijn familieleden aan zich bond door ze werk te verschaffen. Zo werd zijn zuster Ruth directeur van zijn muziekuitgeverij en trad zijn zoon Mercer onder meer op als zijn manager.

Cohen wil met Duke Ellington’s America vooral laten zien wat het muzikale en politieke belang van Ellington was voor de Verenigde Staten. Hiervoor dook hij in het Ellington-archief van de Smithsonian Institution in Washington en nam alle knipselmappen over Ellingtons muziek door en ook alle financiële gegevens. Die heeft hij in ruime mate verwerkt in zijn boek. Tot in detail maakt Cohen bijvoorbeeld bekend hoe Ellington aan het einde van zijn leven in financiële problemen raakte door een combinatie van belastingschulden, ruimhartige betalingen aan zijn familieleden en de instandhouding van zijn dure, onmodieuze big band. Soms gaat Cohen hierin te ver en lijkt zijn boek een verslag van een belastingambtenaar.

Op zijn best is Cohen als hij schrijft over de rode draad van zijn boek: het grote belang van Ellington voor de zwarte Burgerrechtenbeweging. Keer op keer laat hij zien dat Ellington niet door politiek activisme maar door zijn muziek het boegbeeld van zwart Amerika werd. Ellingtons afkeer van activisme stamde uit zijn jeugd in Washington. Van zijn middenklasse- ouders – zijn vader was onder meer butler op het Witte Huis – leerde hij dat een zwarte Amerikaan meer voor elkaar kon krijgen door hard te werken dan door zich militant op te stellen. Aan dit standpunt bleef Duke Ellington zijn hele leven trouw. Zo deed hij in de jaren zestig niet mee aan de demonstraties van de Burgerrechtenbeweging en liet hij verstek gaan bij Martin Luther Kings ‘March on Washington’ in 1963.

Toch heeft Ellington meer gedaan voor de burgerrechten van zwarte Amerikanen dan menig politieke activist, vindt Cohen. Door zich niet te beperken tot junglemuziek in nachtclubs als de Cotton Club in New York, waar zijn band in de jaren twintig en dertig het huisorkest was, en door uit te groeien tot componist van serieuze Amerikaanse muziek, liet hij als eerste zien dat ook zwarten Grote Kunstenaars konden zijn.

Zijn reputatie als Groot Kunstenaar had Ellington overigens deels te danken aan Irving Mills, de muziekondernemer die in 1927 zijn manager werd. Die zette een slim marketingplan in elkaar om duidelijk te maken dat Ellington meer bood dan vermaaksmuziek.

Onbegrepen

Maar het was natuurlijk uiteindelijk de muziek zelf die Ellington tot de eerste echt Amerikaanse componist maakte. Steeds weer laat Cohen zien dat zijn composities vaak de geschiedenis van zwart Amerika als onderwerp hadden. Bijna altijd leidde dit tot grootse muziek met eeuwigheidswaarde. Wat hem betreft geldt dit ook voor zijn werk uit de jaren vijftig en zestig, toen Ellington volgens sommige critici over zijn hoogtepunt heen was en zich te vaak bezighield met het schrijven van pretentieuze, lange suites. Hartstochtelijk betoogt Cohen dat Ellington zich na de Tweede Wereldoorlog voortdurend bleef vernieuwen en, op enkele uitzonderingen na, steeds weer nooit eerder gehoorde, ontroerende blazersmuziek schreef.

Hoogtepunt van Ellingtons muziek over de geschiedenis van zwart Amerika is Black Brown and Beige, een compositie die Ellington in 1943 schreef voor zijn eerste optreden in Carnegie Hall, de klassieke-muziektempel van New York. Hiervoor maakte Ellington ook een lang libretto over de geschiedenis van de slavernij en de achterstelling van zwarten in Amerika. Maar op het laatste moment zag Ellington ervan af om dit voor te dragen in Carnegie Hall. Hij was bang dat dit hem zou vervreemden van het blanke publiek dat in groten getale naar zijn concerten ging en zijn platen kocht. Alleen het stuk ‘Come Sunday’, gezongen door gospelzangeres Mahalia Jackson, had een tekst, maar die is toch vooral algemeen religieus van aard.

Het publiek in de Carnegie Hall moest het dus doen met alleen de muziek van Black Brown and Beige. En dat was een probleem: niet alleen blanke maar vooral zwarte Amerikanen bleken Ellingtons muziek slecht te begrijpen. Strawinsky heeft eens beweerd dat muziek niets kan uitdrukken. Dat is overdreven, maar al te precieze bedoelingen kan woordloze muziek inderdaad niet overbrengen. In Duke Ellington’s America gaat Cohen jammer genoeg niet in op deze kwestie, die het onbegrip van Ellingtons muziek zou kunnen verklaren. In plaats daarvan legt hij bij veel stukken geduldig uit wat Ellington nu exact wilde zeggen.