Musicals: geen ruimte voor risico's

Zonder subsidie regeert de markt. Dat geldt niet alleen voor de popmuziek, maar ook voor cabaret en musical – de twee theatergenres die zich het meest van allemaal mogen verheugen in een groot publiek. Het effect is dan ook overzichtelijk: een voorstelling die bij voorbaat te weinig aftrek vindt om op zijn minst quitte te spelen, gaat niet door. De producent die van tevoren al bijna zeker weet dat hem aan het eind van het seizoen een gat in de begroting wacht, zal niet gauw geneigd zijn om toch aan zo’n productie te beginnen.

Wie een musical wil produceren, klopt doorgaans al een jaar eerder bij de theaters aan. Voor een gemiddelde voorstelling vraagt hij een garantiesom van circa 18.000 euro per avond. De garantiesom is een vast bedrag dat het theater betaalt aan de producent, ongeacht het aantal bezoekers. Daar bovenop komt nog een verdeelsleutel (de zogenaamde partage) voor extra inkomsten als er veel kaartjes worden verkocht; daarvan gaat veelal 80 procent naar de producent en de rest naar het theater. Op die basis kan de producent min of meer uitrekenen wat zijn omzet zal zijn – en of die zal opwegen tegen de kosten die hij maakt. Een vuistregel in dit vak leert dat er dan minimaal 100 voorstellingen moeten worden geboekt om de begroting rond te krijgen.

Of het zo ver komt, hangt allereerst af van de theaterprogrammeurs. Omdat er in dat stadium nog niets van de nieuwe productie te zien is, gaan zij noodgedwongen af op grote namen: een musical waarvan de titel overbekend is, bekende namen in de rolbezetting of een groot aantal klassieke hits in een nieuw verhaaltje (de Mamma Mia!-formule). Er moet, kortom, op zeker worden gespeeld. Bovendien verdringen de musicalproducenten zich in die fase voor de deuren van de theaters. De programmeurs hebben het voor het uitkiezen: het aanbod is altijd groter dan de ruimte in de seizoensprogrammering. Wat er afvalt, heeft blijkbaar onvoldoende vertrouwen in een goede afloop weten te wekken.

Zo was er vorig seizoen een producent die te elfder ure een nieuwe musical over Josephine Baker moest terugtrekken wegens gebrek aan boekingen. En om diezelfde reden gaat komend seizoen een nieuwe versie van de uit 1981 daterende Jos Brink-musical Amerika, Amerika, die door de showbizmedia al grootscheeps was aangekondigd, niet door. Te weinig theaters zagen er een gegarandeerd kassucces in.

Voor cabaret geldt in principe hetzelfde als voor musicals. Maar er is één groot verschil: de kosten van een cabaretvoorstelling liggen vele malen lager. Meer dan een cabaretier en een technicus is meestal niet nodig. Daardoor ligt de financiële lat in dit genre beduidend lager. Ook een nog tamelijk onbekende cabaretier die wel eens populair zou kunnen worden, vindt al gauw genoeg toegang tot de theaters. Terwijl een ervaren cabaretier die allengs minder publiek trekt, nog jarenlang kan blijven optreden – zij het op steeds minder podia.

In de musicalsector grijpt de marktwerking dus harder in. Dat maakt het musicalaanbod eenzijdiger dan het zou kunnen zijn. „Het is tegenwoordig allemaal een beetje retro en vrolijk”, zei Koen van Dijk van M-Lab, het voor musicalvernieuwing opgerichte theatertje in Amsterdam-Noord, op een discussiemiddag over musicalproductie. „Het kan veel creatiever.” Maar veel ruimte voor artistieke risico’s is er op een markt niet.