Manipuleer de student!

Het academisch jaar begint en er ligt een pamflet op tafel van Martha Nussbaum. Vergeet de economie, leid de student op tot ‘ware democraat’, schrijft ze. Waarom wantrouwt Arnold Heumakers de noodkreet van Nussbaum?

graduation cap Jupiterimages

Martha Nussbaum: Not for profit. Why Democracy Needs the Humanities. Princeton University Press. 158 blz. € 23,-. De vertaling verschijnt volgend jaar bij Ambo.

Volgens Martha Nussbaum heerst er een ‘stille crisis’ in het onderwijs, niet alleen in de Verenigde Staten (waar zij zelf leeft en werkt als hoogleraar recht en ethiek) maar wereldwijd. Het kost geen moeite haar gelijk te geven. Alleen dat het om een stille crisis zou gaan, die ‘grotendeels onopgemerkt’ blijft, zoals zij schrijft in haar onlangs verschenen ‘manifest’ Not for Profit, klinkt een beetje raar.

Al jaren staan in Nederland de kranten vol met alarmerende berichten over de neergang van het onderwijs, gevolg van de talloze ‘onderwijsvernieuwingen’ die scholen en universiteiten decennia lang hebben geteisterd. Aankomende onderwijzers kunnen zelf niet meer schrijven en rekenen, kennis van het Frans en het Duits is vrijwel uitgestorven, universitaire studenten die niet in staat zijn om correct te spellen, een boek van voor naar achter te lezen en hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden, behoren niet meer tot de uitzonderingen. Zelfs tot de politiek schijnt de ‘crisis’ inmiddels te zijn doorgedrongen – zo urgent is de toestand blijkbaar.

Sommige dingen kunnen niet vaak genoeg gezegd worden. Maar alvorens instemming te betuigen met Nussbaums noodkreet, is het wel verstandig haar pamflet zorgvuldig te lezen. Dan blijkt al gauw dat de ‘crisis’ die zij op het oog heeft niet allereerst het niveau van het onderwijs betreft. En misschien zelfs wel helemaal niet.

Zij keert zich tegen de bezuinigingen die overal de humanities treffen – wij zouden zeggen: de alfavakken ofwel de humaniora, denk aan de talen, geschiedenis, kunst, muziek en filosofie. Volgens Nussbaum vinden die bezuinigingen vooral plaats onder economische druk. Alles draait tegenwoordig om economische groei, alles moet bijdragen aan de ‘dorst naar nationale winst’, en wat heb je dan aan iemand die alles weet van de Tachtigjarige Oorlog of van Plato’s ideeënleer? Het belastinggeld kan beter worden besteed aan ‘nuttige’ vakken, die direct bevorderlijk zijn voor welvaart en voorspoed.

Nussbaum prikt deze redenering terecht door en stelt dat ook het bedrijfsleven behoefte heeft aan fantasie, zelfstandig denken, innovatie en empathie. Juist de alfavakken stimuleren bij leerlingen en studenten de ontwikkeling van deze kwaliteiten. Schaf ze af en je brengt alleen nog maar ‘bruikbare machines’ voort, schrijft Nussbaum, die wel een heel lage dunk van de exacte vakken moet hebben. Maar vooruit, het kapitale belang van de alfavakken wordt bij de tegenpartij ook niet altijd even goed beseft.

Nussbaums belangrijkste argument is overigens niet dat de economie de humaniora nodig heeft. Haar belangrijkste argument is dat de democratie ze onmogelijk kan missen. Als de overheid het onderwijs in geschiedenis, talen, filosofie en kunst blijft beknotten, hebben we straks een democratie zonder democratische burgers – ziedaar Nussbaums schrikbeeld. De keerzijde ervan is dat zij de opvoeding tot waarachtig democratisch burgerschap uitroept tot het voornaamste, zo niet het enige doel van het onderwijs in de humaniora.

Hier scheiden zich, wat mij betreft, de wegen.

Niet omdat ik een tegenstander van de democratie ben of het belang van democratisch burgerschap onderschat, maar omdat het onderwijs zo geheel en al in dienst wordt gesteld van een politieke ideologie. Nussbaum maakt in feite dezelfde fout als haar tegenstanders, die het onderwijs geheel en al willen ophangen aan het economische belang van de natie.

We leven in een kapitalistische economie en in een democratie, met alle voor- en nadelen die daarbij horen. Alle alternatieven hebben het tot nu toe op catastrofale wijze laten afweten, dus dromen van een andere wereld is zinloos. Maar waarom zou je van het feit dat de markt ons economische lot is, een ideologie maken die ernaar streeft de regels van de markt overal toe te passen? Wie de humaniora nutteloos noemt omdat ze niet direct tot winst leiden, doet echter precies dat: hij breidt het marktprincipe uit tot een gebied waar het beter verre van kan blijven.

Hetzelfde doet Nussbaum met de democratie. Ik zal niet ontkennen dat onderwijs in de alfavakken het vermogen tot fantasie, kritisch denken en empathie kan bevorderen – maar liever als bijkomend gevolg dan als exclusief doel, vooral wanneer dat doel ook nog eens uitdrukkelijk een ideologische kleur krijgt. Wat is het verschil met indoctrinatie?

Bij Nussbaum, die zich ontpopt als een gelovige in de democratie zoals haar tegenstanders gelovigen in de markt zijn, blijkt het verschil flinterdun te zijn. Dat we in een democratie leven is voor haar reden om de waarden en principes van die democratie (bij Nussbaum in de eerste plaats gelijkheid, de vrijheid komt er bekaaider af) overal verplicht te stellen, ook daar waar ze niet op hun plaats zijn.

Op zeker moment vraagt zij zich af hoe het toch komt dat democratische instellingen, gebaseerd op gelijkheid en wederzijds respect, het zo moeilijk hebben om zich te handhaven; telkens vallen mensen weer terug in hiërarchische verhoudingen of vormen van collectieve vijandschap. Nussbaum snapt er niets van, en dat tekent haar als gelovig democraat en humanist, aanhanger van de ‘religie van de mens’ die in de vorige eeuw door een van haar helden, de Indiase wijsgeer en dichter Rabindranath Tagore, werd verkondigd. Want het antwoord ligt voor de hand: de belangrijkste beginselen van de democratie, gelijkheid en vrijheid, hebben het in de praktijk zo moeilijk omdat zij niet overeenstemmen met de empirische werkelijkheid.

Het gaat om idealen of nuttige ficties, met per definitie een relatieve waarde. Om vast te stellen dat de mensen niet gelijk zijn, hoef je slechts om je heen te kijken. Iedereen verschilt van iedereen. Dat ook vrijheid een relatief begrip is, lijkt misschien minder evident, maar dan raad ik een kleine excursie aan naar het werk van Spinoza, Darwin, Nietzsche of Freud – namen die in Not for Profit, op één na, ontbreken. De democratische gelijkheid en vrijheid die Nussbaum tot geloofswaarheden verheft, zijn in werkelijkheid juridische principes die hun betekenis pas krijgen binnen het kader van de rechtsstaat. Worden ze daarbuiten als onomstotelijke waarheden gehanteerd, dan gaat men uit van een valse voorstelling van zaken. Met alle gevolgen van dien.

Neem de catastrofale onderwijsvernieuwingen in ons land: voor een deel waren die het gevolg

Vervolg op pagina 2

Nussbaums keurslijf om Academia

van een misplaatst idealisme. Dat men iedereen gelijke kansen wilde bieden was terecht, maar dat men die gewenste gelijkheid ook in de resultaten trachtte af te dwingen, heeft tot een funeste nivellering en dus niveauverlaging geleid. Omdat de gelijkheid in de praktijk uitbleef, zijn de normen en eisen aangepast om zoveel mogelijk achterblijvers binnenboord te houden. Om het wat plechtiger te zeggen: het onderwijs is misbruikt als instrument ter bevordering van sociale rechtvaardigheid – een voorbeeld van dezelfde ideologische verblinding als we bij Martha Nussbaum aantreffen.

Hoezeer de ideologie haar agenda bepaalt, wordt duidelijk als we zien hoe zij zich een ideale opvoeding tot democratisch burgerschap voorstelt. Haar voorbeeld is, afgezien van de ideeën van onder anderen Rousseau, Pestalozzi, Froebel, Alcott, Dewey en Tagore, de praktijk van het Amerikaanse voorgezet onderwijs. Na highschool volgen daar twee jaar college, alvorens men aan een vakstudie begint; gedurende die twee jaar krijgen studenten, ook als ze later economie of techniek gaan studeren, allerlei vakken uit de humanities. Daarbij ligt de nadruk minder op kennisverwerving dan op zelfwerkzaamheid, discussie, kritisch denken. Zo hoort het ook, vindt Nussbaum die zich beroept op Socrates en niets ziet in meer traditionele manieren van kennisoverdracht. Die stelt zij zonder meer gelijk aan ‘van buiten leren’ ofwel ‘stampen’. Het is ‘passief’ tegenover ‘actief’, en alleen het laatste brengt volgens haar de ware democratische burger voort. Ook al weet hij niets, hij kan wel overal over meepraten, zou ik daar even ongenuanceerd tegen in kunnen brengen.

Maar dat is niet het enige. In onderwijs in de klassieken of in de levens en doctrines der grote filosofen ziet Nussbaum (zelf beroemd geworden met studies over Plato, Aristoteles en de Griekse tragici) niets; wel vindt zij dat leerlingen en studenten zich moeten verdiepen in vreemde godsdiensten en culturen, in de onrechtvaardigheid van klassen- en rassenverhoudingen en in de verschillen (of liever: de gelijkheid) tussen de seksen. Ook nu is het doel niet zozeer kennis, als wel empathie, respect, tolerantie, kritische zin, zij het wat dit laatste betreft uitsluitend ten opzichte van de eigen autoriteiten en tradities; die van andere culturen verdienen blijkbaar enkel welwillende nieuwsgierigheid. Over het vermogen tot empathie wordt niet voor niets gezegd dat dit wel moet worden gestimuleerd in combinatie met het ‘idee van een gelijke menselijke waardigheid’, want empathie die alleen de eigen groep treft, is voor Nussbaum uit den boze. Haar ideale democraat is per definitie een ‘wereldburger’, die ieder spoor van nationalisme, laat staan racisme, uit zijn binnenste heeft verwijderd.

Nussbaums pedagogische en didactische agenda zou die van elke politiek correcte wereldverbeteraar kunnen zijn. Een precair onderdeel is daarbij altijd de bevordering van de kritische zin. Zo ook bij Nussbaum, die zich zelfs een voorstander noemt van een ‘culture of individual dissent’. Maar, zoals hierboven al bleek, aan dit ‘verschil van mening’ wordt wel een grens gesteld: het mag de perken van de politieke correctheid niet te buiten gaan. Op enige zelfkritiek wat dit aangaat wordt duidelijk geen prijs gesteld.

Toch lijkt Nussbaum soms wel degelijk te beseffen dat haar hele programma innerlijk tegenstrijdig zou kunnen zijn. Bijvoorbeeld wanneer zij het een ‘delicate zaak’ noemt om dingen ‘voor te schrijven’ terwijl het doel is ‘to produce freedom from the dead hand of authority’. Maar wanneer zij zich elders zorgen maakt over de menselijke ontvankelijkheid voor manipulatie, is van zoveel luciditeit weer niets te bespeuren. Dan schrijft zij doodleuk: ‘We probably cannot produce people who are firm against every manipulation’.

Het sleutelwoord lijkt mij hier: ‘produceren’ – onderwijs produceert dus (door te manipuleren), het maakt mensen zoals een fabriek dingen maakt. Onbedoeld verraadt de taal hoezeer Nussbaums visie op het onderwijs lijkt op die van haar ‘economische’ tegenstander. Beiden denken uitsluitend instrumenteel. Het doel staat vast (nationale winst bij de een, multiculturele democratie bij de ander) en het enige wat het onderwijs moet verschaffen is het middel om deze doelen te verwezenlijken. Dat onderwijs, net als kennis en wetenschap en net als kunst en filosofie, ook nog zijn eigen waardevolle doel zou kunnen zijn en dat het daarom niet aangaat school en universiteit zo strak aan ideologische banden te leggen, ongeacht of dat nu de ideologie van de markt is of die van de democratie, komt niet bij Nussbaum op.

Haar eenzijdigheid, om het eufemistisch uit te drukken, komt misschien voort uit polemische ijver. Dat een polemist de trekken aanneemt van wat hij bestrijdt, is geen onbekend verschijnsel. Voor zover dit het geval is, lijkt het me een reden te meer om de aanbevelingen in Nussbaums manifest met wantrouwen te benaderen. En niet klakkeloos, omdat men ook zo de pest heeft aan de economische eisen die het onderwijs worden opgedrongen, haar ideologische bevlogenheid te omarmen op een gebied waar deze niet thuishoort.