'Ik luister naar naderende donder'

Nobelprijswinnaar J.M.G. Le Clézio reisde de wereld rond, maar vluchtte ook al jong in letters: ‘Ik las boeken alsof ze een andere dimensie van de tijd boden’, vertelt hij in zijn ‘beste’ Frans.

J.M.G. Le Clézio in Amsterdam: 'Het ontbreekt ons aan vertrouwen in instituties' Foto Maarten van Haaff Jean-Marie Gustave Le Clezio, Frans schrijver die in 2008 de Nobelprijs voor de literatuur won. Amsterdam, 29 juni 2010, FOTO MAARTEN VAN HAAFF

Bedachtzaam – als er één woord van toepassing is op de Nobelprijswinnaar van 2008 is het dat. Je ziet hem bij iedere zin nadenken, J.M.G. Le Clézio, het beste woord zoeken, het proeven, wegen, door een ander vervangen, totdat hij precies het juiste gevonden heeft.

Ook op zijn zeventigste is hij nog rijzig, sportief en aimabel als geen ander. Een man die zijn leven lang de wereld bereisde, in Afrika, Azië en Zuid-Amerika woonde en zich op zee of in de woestijn meer thuis voelt dan in de mondaine wereld van roem en geld. Een schrijver van een immens oeuvre, die door Kazachstan trok, twee jaar bij indianenstammen woonde, met de nomadische woestijnvolken van Algerije meereisde en het liefst in spijkerbroek aandacht vraagt voor armoede en uitbuiting.

Een crime vond hij het in december 2008 in Stockholm in rokkostuum zijn officiële rede te moeten houden – hij wilde een verhaal vertellen, maar daar stak de Nobelprijscommissie een stokje voor. Die rede is bescheiden en terughoudend als de man zelf. „Als je schrijft, handel je niet”, zei Le Clézio in zijn rede. „Je voelt je niet op je gemak in de werkelijkheid en dus zoek je een andere manier om te communiceren, afstand, tijd om na te denken.”

Le Clézio is even in Amsterdam, maar wil eigenlijk snel weer weg, naar zijn vrouw Jemia die ziek is. „Dat zei ik destijds omdat ik mijn eigen leven altijd vergelijk met dat van mijn vader”, zegt hij nu, „hij schreef niet, sprak geen redes uit, zijn hele leven bestond uit daden, uit actie. Hij was geboren op Mauritius, vervalste op zijn zeventiende zijn paspoort omdat hij Duitsland wilde bevechten in de Eerste Wereldoorlog. Hij studeerde medicijnen in Londen, ging als arts van het Britse leger naar Guyana, Kameroen en Nigeria. Hij was chirurg, had de handen van een houthakker, deed alles wat er gedaan moest worden, van bevallingen en autopsies tot euthanasie. Hij wilde dienen, nuttig zijn. Waartoe dien ik, heb ik mezelf vaak afgevraagd, als je het vergelijkt met hem? Ik heb mijn hele leven zittend doorgebracht. Met schrijven verander je de wereld niet.”

In L’Africain schetst Le Clézio een mooi portret van zijn vader, de man die niet sprak, niet vertelde, maar handelde. Hij ontmoette hem pas toen hij als 8-jarige, in 1948, op een vrachtschip naar Nigeria was gereisd. Het was een tocht die zijn verdere leven bepaalde. „Ik kwam uit een land waar de kinderen tussen de sporen van de oorlog leefden, achter gesloten deuren. In Nice, waar ik woonde, lagen overal mijnen. Ik kwam uit een land waar niets was, voor een voedselbon kreeg je 2 slechte radijzen en een rotte aardappel.

„Eenmaal in Nigeria leek het net alsof ik in Zwitserland was aangekomen; de mensen waren rijk en gelukkig, de markten vol fruit. Vanuit een gevangenis kwam ik ineens in een overweldigende natuur. Mijn vader woonde aan de rand van een exuberant tropisch woud. De eerste dagen gedroeg ik me als een nieuwkomer, ik vernielde zoveel termietenhopen als ik kon. Later vertelden inheemse kinderen met wie ik speelde dat termieten voor hen hoeders van het water zijn. Ze leerden me de natuur te respecteren, samen te leven met schorpioenen, slangen en andere insecten. Het was één grote vakantie, twee jaren waarin ik enorm groeide, lichamelijk en geestelijk. Het was moeilijk daarna weer naar school te moeten. Toen kwam de literatuur als mijn reddingsboei.”

Bij zijn terugkeer las de jonge Le Clézio de 17-delige Dictionary of Conversation, een Britse encyclopedie uit 1800 waaruit dames uit de gegoede burgerij onderwerpen konden putten voor een goed gesprek. Nerval over de Griekse oudheid, Hugo over botanica. „Ik las het alsof het de echte wereld was, ik vluchtte in een andere dimensie van de realiteit.” In Nice, bij zijn moeder en zijn grootouders, kreeg Le Clézio een Mauritiaanse, spartaanse opvoeding: geen maaltijd zonder rijst, sterke familiebanden, glimlachen ook als je het moeilijk hebt, in de ‘spinnenkast’ als je ongehoorzaam was.

De naoorlogse jaren, een cruciale fase in Le Clézio’s leven en schrijven, keren terug in zijn recentste, onlangs in het Nederlands vertaalde roman, Refrein van de honger. Een jonge vrouw, alter ego van zijn moeder, ziet tijdens de oorlog haar hele familie ten onder gaan. Het familiekapitaal verdwijnt, haar erfenis wordt haar ontfutseld, haar geliefde gaat onder de wapenen. „Ik wilde beschrijven wat het betekent twintig jaar te zijn op het moment dat de oorlog uitbreekt. Je adolescentie wordt je ontstolen, er is gebrek aan alles, pessimisme viert hoogtij. Voor de achterblijvers heeft de oorlog niets glorieus, het betekent moeizaam je kostje bij elkaar scharrelen. Het houdt me nog steeds bezig, ook nu zijn er mensen die dat doormaken.”

Honger is het thema van Le Clézio’s proloog, de honger die hij had als kind en die hij nog steeds kan navoelen, de smaak van witbrood en natuurlijk Rimbauds gedicht ‘Fêtes de la faim’. „Rimbauds honger gold de noodzaak de wereld te kennen, te weten tot welke dwaze dingen de mens in staat is. Je kunt het gedicht ook lezen als honger naar kennis en naar tijd voor reflectie, de droom van mensen die dat niet hebben.

„Toen ik in Mexico woonde werd ik iedere dag om 4 uur ’s morgens gewekt door vrachtwagens die langsreden. Ze vervoerden jonge kinderen die aardbeien gingen plukken. Aan het eind van het seizoen hadden ze geen nagels meer over. Die kinderen hadden wel voedsel, maar geen jeugd, geen tijd om te dromen.”

‘Gelukkig zijn is zich niets te hoeven herinneren’, schrijft u.

„Precies, Wittgenstein formuleerde hetzelfde net even anders. Hij zei dat het ‘nu’ de enige ruimte is die zich buiten de tijd bevindt. In het ‘nu’ kun je het verleden met zijn onrecht en mislukkingen uitbannen en ook de zorgen over de toekomst aan de kant zetten. Literatuur kan het ‘nu’ vullen, het heden oprekken, de angst uitbannen. De Chinese schrijver Ba Jin zei dat hij schreef omdat de schoonheid van het leven zo kort is, hij wilde een extra tijdsduur meegeven aan het heden, aan de schoonheid van het leven.”

Naar welk refrein – ‘Refrein van de honger’ – verwijst de titel, wat komt er voor u steeds terug?

„In de jaren vlak na de oorlog hoorde ik steeds twee oude vrouwen Italiaanse operetteliedjes zingen, op pleinen, op binnenplaatsen, in de hoop op een aalmoes. Ik kan tegenwoordig niet schrijven zonder te denken aan die ellendige jaren. Mijn grootmoeder at fruitschillen, groenteafval, familieleden stierven van de honger, ik kreeg dysenterie, ben op mijn vierde bijna gestorven. Het komt steeds terug, als een refrein om me eraan te herinneren dat ik erover moet schrijven.”

Het boek eindigt met een autobiografisch nawoord over uw moeder en de Boléro van Ravel, ook een compositie met veel herhaling.

„Mijn moeder was pianiste, ze hield van moderne componisten en ze was uitgenodigd voor de première van de Boléro van Maurice Ravel. Ze was 20, iets ouder dan Claude Lévi-Strauss die ook in de zaal zat. Curieus genoeg vertelden ze me later, ieder afzonderlijk, hetzelfde verhaal: ze hadden beiden de indruk gehad dat de muziek hun iets wilde vertellen, dat de Boléro met zijn dwingende ritme de oorlog had aangekondigd. Mijn moeder had het als een soort koorts ervaren, het crescendo was de opmars geweest tot de verschrikkingen van de oorlog.”

U spreekt erover alsof u op zoek bent naar een vergelijkbare, hedendaagse dreiging.

„Ik heb dit boek inderdaad geschreven met de vraag of er nu geen vergelijkbare profetieën zijn. Na de oorlog was het niet ineens afgelopen met het antisemitisme, het abces was niet helemaal doorgeprikt. Nu zie ik andere gevaren, we zitten niet alleen in een economische crisis maar vooral in een morele. Het ontbreekt ons aan vertrouwen in instituties, familiebanden zijn teloorgegaan. Ouders houden zich veel minder met hun kinderen bezig, ze laten de opvoeding over aan de staat, trekken zich terug. Steden kennen niet meer de diversiteit van vroeger, toen woonde de bakker naast de slager en die weer naast de advocaat en de notaris, men woonde door elkaar heen.

„Tegenwoordig wonen de minder kapitaalkrachtigen in de banlieues, waar ernstige spanningen heersen. We leven met arrogantie, we lijken er zeker van te zijn dat alles doorgaat zoals het nu gaat. Maar tussen de twee oorlogen is alles op zijn kop gezet, de val was niet te stoppen. Dat gevoel van onzekerheid, het gevoel dat de dingen nooit lang zullen duren heeft mijn leven getekend.

„Alles is vluchtig en er is maar weinig nodig om het evenwicht te verstoren. Een romancier is geen essayist, denkt geen filosofische systemen uit, maar fungeert als een echo van wat hij hoort, hij luistert naar de naderende donder in de bergen en vraagt zich af of straks het water zal stijgen. Schrijvers zijn de wachtposten van de samenleving.”

Refrein van de honger verscheen in de vertaling van Maria Noordman bij De Geus, die ook andere titels van J.M.G.. Le Clézio uitgaf.