Het gaat echt gebeuren

Eindelijk gaat het Stedelijk Museum weer open en eindelijk geeft de nieuwe directeur een interview. Morgen opent Ann Goldstein haar eerste tentoonstelling, Taking Place. „Ik doe wat historisch noodzakelijk is.”

Er staan weer vrachtwagens voor kunstvervoer voor de ingang van het Stedelijk Museum aan de Amsterdamse Paulus Potterstraat, en niet alleen maar betonmolens. Binnen, in de fraai gerenoveerde zalen van het oude museumgebouw, schalt muziek uit radiospeakers. Museumconservatoren trekken fotowerken uit bubbeltjesplastic, kunstenaars leggen op hun knieën de laatste hand aan een vloerschildering. Eindelijk, voor het eerst sinds 2003, wordt er weer een tentoonstelling ingericht in Nederlands belangrijkste museum voor moderne en hedendaagse kunst.

Op haar zwarte Converse-gympen loopt de Amerikaanse Ann Goldstein (1957), sinds 1 januari directeur van het Stedelijk, over de nieuwe houten museumvloeren. „Ik kan echt genieten van de geluiden van mensen die aan het werk zijn”, zegt ze. „Dit is voor de hele staf een belangrijk moment. Twee jaar lang hadden we geen gebouw om tentoonstellingen te maken. Nu zijn we weer terug op deze plek en is er het gevoel: het gaat echt gebeuren. Die opwinding voel je. Het is een fantastische kans om de spieren weer eens te trainen die we zo lang niet hebben gebruikt.”

Morgen opent Goldsteins eerste tentoonstelling, Taking Place, in de tijdelijk opengestelde oudbouw van het Stedelijk. De officiële heropening van het museum staat pas gepland voor eind 2011, maar nu de restauratie van het oude Stedelijk is afgerond, krijgt het publiek de kans er alvast een kijkje te nemen. Het is een moment waar de Nederlandse kunstwereld reikhalzend naar heeft uitgekeken. Want sinds het Stedelijk in oktober 2008 zijn onderkomen in Post CS verliet, is het museum dakloos. En dat ervoeren kunstminnaars uit Amsterdam en ver daarbuiten als een groot gemis.

Goldstein begrijpt hun woede en frustratie goed, zegt ze. Geboren en getogen in Los Angeles weet ze hoe het is om in een stad zonder museum op te groeien. „Het museum dat er was ging dicht toen ik op de middelbare school zat. En toen er eindelijk weer een museum voor hedendaagse kunst kwam, en ik daar ging werken, zag ik hoe de stad veranderde en hoe groot het effect was op de lokale kunstenaars. Dus toen ik hier in Amsterdam aankwam, wilde ik maar één ding: het Stedelijk zo snel mogelijk weer open krijgen.”

Maar Goldstein is ook iemand die niet over één nacht ijs gaat. Ze is grondig en neemt graag de tijd om een tentoonstelling te maken. Dus toen de Amsterdamse cultuurwethouder Carolien Gehrels begin dit jaar zei dat de oudbouw per direct open moest, reageerde Goldstein: dat gaat niet zo snel. „Ik vind het belangrijk dat als mensen hier weer binnen komen, ze ook echt kunnen zien dat het museum weer leeft”, zegt Goldstein. „Ik wilde met deze tentoonstelling een duidelijk statement maken over het soort instelling dat ik voor ogen heb: een museum dat historisch is maar ook vooruitdenkt, dat risico’s wil nemen, en dat denkt vanuit de kunstenaars.”

Bewust heeft ze daarom ook tot nu gewacht met het geven van interviews. „Ik weet hoe nieuwsgierig mensen naar me zijn”, lacht ze met haar vuurrood gestifte lippen. „En ik besef dat ik lang heb gezwegen, maar ik vond dat dat nodig was. Ik wil het graag over de inhoud hebben, maar tot nu toe was ik vooral met praktische zaken bezig. Ik ben een type dat op mijn werk en mijn daden wil worden beoordeeld. Omdat ik liever geen dingen zeg die ik niet kan waarmaken. Het is niet dat ik verlegen ben, ik heb een sterke persoonlijkheid. Maar ik ben hier niet om mezelf te promoten. Ik ben hier om het museum te dienen.”

Ze komt sympathiek over, is goedlachs op een haast meisjesachtige manier. Maar ze is ook een bloedserieuze professional, die zich niet gemakkelijk tot gewaagde uitspraken laat verleiden. Als we het over beleidszaken hebben, praat ze als een politicus met een flinke dosis mediatraining. Nee, ze doet nog geen uitspraken over het toekomstige tentoonstellingsprogramma. En of er na Taking Place nog meer exposities in de oudbouw zullen komen, kan ze ook niet zeggen. Er moet van de kant van de gemeente eerst duidelijkheid komen over de oplevering van het complete museumgebouw.

Maar zodra we praten over de kunst die ze voor haar tentoonstelling heeft gekozen – over de tekeningen van Jan Dibbets bijvoorbeeld die hier voor het eerst samen worden getoond, of over de nieuwe video’s van Rineke Dijkstra die ze heeft aangekocht voor het museum – beginnen haar ogen te glinsteren. „Geweldige kunstenaars zijn het, allemaal.” Wie wil weten wat voor vlees ze met Ann Goldstein in de kuip hebben, moet maar naar haar tentoonstelling komen kijken, vindt zij. Dat is de manier waarop ze zichzelf wil voorstellen aan het Nederlandse publiek.

Het eerste wat op die tentoonstelling opvalt is het hoge gehalte aan conceptuele kunst. Willem de Rooij laat je in zes opvolgende lege museumzalen met behulp van een folder kijken naar de hoeken van de ruimtes. Daniel Buren liet in de entreehal zijn kenmerkende verticale kleurvlakken aanbrengen, dit keer gebaseerd op het palet van de beroemde cut-out van Matisse uit de museumcollectie. En boven, op de plek waar vroeger de boekwinkel was, lezen een man en een vrouw onophoudelijk de jaartallen voor die geweest zijn en die nog zullen komen.

„Dat werk van On Kawara, One Million Years, was het eerste beeld dat in me opkwam toen ik na begon te denken over het tijdelijke Stedelijk”, vertelt Goldstein. „Ik had een visioen van bezoekers die door lege zalen wandelden, en dan die twee mensen tegenkwamen die daar zaten, jaartallen voorlezend. Het is een kunstwerk dat leven terugbrengt in het gebouw.”

Het idee voor Taking Place kwam voort uit het museumgebouw zelf, vertelt Goldstein. „We zitten in een exceptionele tussenfase: we zijn een gebouw maar nog geen museum. Dat unieke moment heb ik als uitgangspunt genomen. Dit is de enige keer dat we dit kunnen doen, dat we hier kunnen experimenteren, want straks hangt in deze zalen de vaste collectie.”

Goldstein heeft bewust een paar zalen leeg gelaten. „Ik vind het belangrijk dat bezoekers hun eigen weg kunnen vinden door de tentoonstelling. Iedereen zal zijn eigen herinneringen hebben, en iets anders willen doen. Eerst de trap op naar de erezaal, of juist naar hun favoriete kabinetje. Lege zalen zijn daarom heel belangrijk. Zie het als schatzoeken: je loopt door die lege ruimtes en opeens is daar een kunstwerk. Zo wil ik de bezoeker laten zien hoe kunst werkt, hoe een kunstwerk de ruimte leven in kan blazen.”

Sommige werken, zoals The Well Polished Floor Sculpture (1969) van Ger van Elk, zijn al eerder in het Stedelijk te zien geweest. „Het mooie van kunst is”, vindt Goldstein, „dat het altijd in het hier en nu bestaat. Als je hier de straat uitloopt en de Nachtwacht gaat bekijken, zie je het schilderij in 2010. De betekenis van dat kunstwerk is in 2010 anders dan in 1947 en anders dan in de tijd waarin het gemaakt werd. Dat werk van Van Elk is veertig jaar oud maar nog net zo radicaal als toen. Wat ik er zo mooi aan vind, is dat het werk heel immaterieel lijkt, een glimmende driehoek op de vloer. Maar toch is het ook nog steeds een object, een laagje was op de vloer.”

In trends is Goldstein niet geïnteresseerd. Liever maakt ze tentoonstellingen over historische stromingen als Minimal Art of over een overleden, maar nog wel relevante kunstenaar als Martin Kippenberger. Goldstein: „Wat mij drijft, is doen wat historisch noodzakelijk is. Als dat een tentoonstelling van een jonge hippe kunstenaar is, geweldig. Ik denk dat je bij jezelf iets moet ontwikkelen, noem het een innerlijk kompas, dat je wijst op datgene wat succesvol is. Je moet dat doen waarvan jij denkt dat het goed is. In onze huidige cultuur wordt succes vaak omschreven in termen die meetbaar zijn: zoals kaartverkoop, persaandacht, bezoekcijfers. Maar ik formuleer liever een eigen, meer inhoudelijke definitie van succes.”

Ze heeft erg moeten wennen aan het Nederlandse kunstklimaat, zegt ze. Aan hoe de dingen hier geregeld zijn. Amerikaanse musea als het MOCA hebben veel meer te maken met private sponsors, terwijl het Stedelijk nauwe banden heeft met de gemeente Amsterdam. De stad is eigenaar van het gebouw en de collectie en is ook opdrachtgever van de uitbreiding. „Dat was best lastig, binnen te komen in een gesloten museum, en de situatie rondom de nieuwbouw te begrijpen. Ik wist wel dat de gemeente eigenaar was van het museum, maar hoe het werkelijk zit begrijp je pas wanneer je er middenin zit.”

Tegelijkertijd voelde het ook een beetje als thuiskomen. „Ik ben wel echt een museummens. Musea vormen een soort familie. Er is een zeker protocol dat overal hetzelfde is. Dus op dat gebied viel de cultuurschok mee.”

Goldstein, opgeleid als beeldend kunstenaar, begon haar carrière in 1983 als stagiair bij het MOCA. Ze was assistent van MOCA-oprichter Pontus Hulten en kreeg de taak zijn persoonlijke bibliotheek te ordenen. Hulten, ooit een protegé van Stedelijk-directeur Willem Sandberg, vertelde haar verhalen over de mensen die hij in het Stedelijk had ontmoet. „Daardoor wist ik al van het bestaan van het Stedelijk af lang voordat ik er een stap had gezet. Voor ons in Amerika was het Stedelijk zo belangrijk. Kunstenaars uit Los Angeles toonden er hun werk en kwamen met mooie verhalen terug.”

Die toonaangevende positie heeft het Stedelijk door alle verbouwingsperikelen allang niet meer. Maar Goldstein is vast van plan zich terug te vechten. „Ik wil echt dat het Stedelijk weer een internationaal museum wordt – starting now. Dat is voor de hele Nederlandse kunstwereld van groot belang. Als het Stedelijk gezond en springlevend is, heeft dat ook effect op De Hallen in Haarlem en op Boijmans in Rotterdam en het museum in Groningen. Ik ben niet iemand die graag opschept, maar ik ben ervan overtuigd dat een blij, gezond Stedelijk een positieve invloed kan hebben op het hele kunstklimaat.”

Maar hoe wil ze dat doen, in een tijd van economische malaise waarin bovendien het politieke klimaat niet bepaald kunstvriendelijk gestemd is? „Ik kom uit een museum dat bijna failliet was”, reageert Goldstein strijdvaardig. „Dus ik begrijp precies wat er op het spel staat. Hoe moeilijk en pijnlijk die ervaring ook was, ik heb er wel van geleerd. De situatie zal namelijk altijd veranderen, hoe dan ook. Je moet vooral dat eigen innerlijke kompas vertrouwen. Weten wie je bent. Helder kunnen uitleggen waarom jouw instituut zo belangrijk is. MOCA werd met sluiting bedreigd en steeds opnieuw moest ik rechtvaardigen waarom het museum in leven moest blijven.”

In Nederland ligt de situatie anders, ziet Goldstein. „Sinds ik hier ben, vertelt iedereen me dat ze als kinderen opgegroeid zijn met het Stedelijk. En dat ze zo verdrietig of boos zijn dat ze hun eigen kinderen niet naar het museum hebben kunnen brengen. Dat doet me veel, te horen dat het museum hier zo geliefd is. Juist omdat ik van een plek kom waar het museum bijna verdwenen was. Ik vind het niet erg om te horen dat mensen het Stedelijk missen. Want dat geeft mij de bevestiging dat er hier een gemeenschap is die de rol van cultuur waardeert. Die bezoekers zullen heus weer terugkomen. Het succes van het Stedelijk is ook hun succes.”

Taking Place, t/m 9 jan in het Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat, Amsterdam. Inl: www.stedelijk.nl