'Genocide in Oost-Congo'

De Verenigde Naties concluderen dat Rwandese troepen en Congolese rebellen systematisch Hutu-dorpen hebben aangevallen in Oost-Congo.

Oorlogsmisdaden tegen Hutu’s in Oost-Congo tussen 1993 en 2003 „komen neer op genocide”. De volkerenmoord zou zijn begaan door het Rwandese leger en strijders van de latere Congolese president Laurent Kabila en zijn zoon Joseph. Dit staat in een explosief en al maanden in de regio circulerend geheim ontwerprapport van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties.

Na de volkerenmoord tegen de Tutsi’s in Rwanda in 1994, waarbij 800.000 Tutsi’s en gematigde Hutu’s omkwamen, trokken meer dan een miljoen Hutu’s naar Oost-Congo. Onder hen waren ongeveer 40.000 verslagen Rwandese regeringssoldaten en leden van de Hutumilitie Interhamwe. Ze werden in strijd met internationale verdragen pal op de grens opgevangen door hulporganisaties. Radicalen onder de gevluchte Hutu’s deden militaire oefeningen in de vluchtelingenkampen en begonnen een guerrilla tegen de nieuwe regering in Rwanda.

De nieuwe Rwandese regering vroeg om ontmanteling van de kampen. Toen dit uitbleef viel ze in 1996 Oost-Congo binnen en formeerde een Congolese rebellengroep onder leiding van Laurent Kabila. Na de ontmanteling van de kampen en de terugkeer van het overgrote deel van de gevluchte Hutu’s naar Rwanda begonnen Rwandese troepen met strijders van Kabila een klopjacht op de Hutu’s die verder Congo introkken. Zonder onderscheid zouden vrouwen en kinderen zijn gedood, zowel Rwandese als Congolese Hutu’s. Volgens sommige schattingen kwamen 100.000 Hutu’s om.

In het geheime ontwerprapport wordt gesproken over „systematische aanvallen op Hutu’s, die indien bewezen in een rechtbank, als genocide zouden kunnen worden aangemerkt”. Laurent Kabila greep in 1997 met Rwandese hulp de macht in Kinshasa. Zijn zoon Joseph, die in 1997 eenheden van het Congolese rebellenleger aanvoerde, volgde hem in 2001 op.

Nederland en andere westerse landen pleitten in 1996/1997 voor een internationale vredesmacht voor Oost-Congo om de bloedbaden tegen de Hutu’s te stoppen. Onder leiding van Canada werd enkele weken aan het opzetten van zo’n missie gewerkt, maar Amerika werkte dat tegen en hield stationering af. Terwijl steeds meer alarmerende berichten verschenen over moordpartijen door speciale doodseskaders van het Rwandese leger in Congo vertelden Amerikaanse diplomaten in Rwanda dat hun satellieten deze slachtpartijen niet konden waarnemen wegens de dichte bewolking en bebossing. Latere pogingen van de VN om onderzoekscommissies te sturen werden gesaboteerd door de regeringen van Congo en Rwanda.

Het VN-project Mapping Justice Congo begon twee jaar geleden. Het is een nieuwe poging oude feiten over deze vermoedelijke moordpartijen in 1996 en 1997 te ordenen en nieuwe naar boven te halen. Nederland en Groot-Brittannië behoren tot de belangrijkste donoren. Het ontwerprapport beschrijft 500 tot 600 ernstige misdaden, met een drempel van ten minste vijftig slachtoffers voor elk incident. Er werden meer dan 1.200 getuigen gehoord. Volgens betrokkenen is nooit eerder alles zo degelijk onderzocht.

In de beschreven periode waren behalve uit Rwanda ook troepen uit Oeganda, Burundi en Zimbabwe in Oost-Congo actief. Bijna de helft van de gemelde misdaden wordt aan Rwanda toegeschreven. Een betrokkene bij het onderzoek sprak een jaar geleden over „een planmatige eliminatie van Hutu-dorpen”. Het rapport was al twee keer op weg naar het VN-hoofdkantoor in New York maar publicatie strandde door tegenwerking van de Rwandese en Congolese regeringen. Het rapport is enkele malen herschreven en sommige alinea’s zijn verwijderd. De Rwandese president Paul Kagame en diens Congolese collega Joseph Kabila waren beiden betrokken bij de militaire acties in 1996/1997 in Oost-Congo en beiden vrezen dat dit verleden hun politieke carrières zal schaden.

De kans dat de verantwoordelijken voor deze misdaden zullen worden vervolgd is gering. Het Rwanda-tribunaal heeft alleen jurisdictie over misdaden die zijn begaan in Rwanda, in 1994. Het Internationale Strafhof is wel bevoegd om recht te spreken over misdaden in Congo, maar alleen als die na 1 juli 2002 zijn begaan.