Een slak zonder huis

Frida Vogels’ Dagboeken ’68-’69 zijn levendiger dan de vorige. De zaken worden op de spits gedreven. Met als resultaat: veel pijnlijke onthullingen.

Frida Vogels: Dagboek 1968-1969. Van Oorschot, 632 blz. € 29,50.

In januari 1968 is er een aardbeving op Sicilië. Frida Vogels schrijft erover in haar Dagboek 1968-1969, het zevende deel van haar dagboekserie. Zij geeft geen enkel blijk van medelijden met de slachtoffers, wel van ergernis – over hun hebberige en apathische houding. Ook ergert ze zich aan de slecht georganiseerde hulpverlening en aan de folkloristische toon van de verslaggeving. Haar reactie op deze ramp is een goed voorbeeld van hoe zij in het leven staat: analytisch, secundair, terughoudend.

Er gebeurt veel in 1968 en 1969: de moord op Martin Luther King, studentenrellen in Parijs, de oorlog in Vietnam, de eerste maanlanding, de Russische inval in Praag en de zelfmoord van Jan Palach. Vogels maakt er melding van, maar ook niet veel meer dan dat. Het interesseert haar wel, maar ze weet niet wat ze ermee aan moet. Typerend is haar halfslachtige houding als ze op 25 januari 1969 door haar woonplaats Bologna wandelt. ‘Op het plein bloemen, kaarsen, slogans, vastende studenten voor Jan Palach’, noteert ze. ‘De studenten lagen in slaapzakken op het bordes van de Dom. Er stonden groepjes mensen te praten. Ik wilde erbij blijven staan om te horen wat ze zeiden, maar liep toen gewoon door.’

Waarom? Je hoeft maar even in dit Dagboek te bladeren om vast te stellen dat Vogels in deze veelbewogen jaren haar handen al meer dan vol heeft aan zichzelf. Ze tobt met een knieblessure, met de schrijverij en met haar afkeer van seks. En ze tobt dus ook met haar huwelijk met Enzo, dat halverwege 1968 op springen staat. Dat heeft niet alleen te maken met hun uiteenlopende seksuele behoeften, maar ook met een algeheel verschil in temperament. ‘Bij mij vergeleken is E. een monster van vitaliteit’, schrijft ze droogjes in de zomer van 1968, tijdens de vakantie die ze doorbrengen bij haar schoonfamilie in Castellina. Hij is de robuuste levensgenieter die leeft bij de dag. Zij is de breekbare, anorectische binnenvetter die de dingen pas echt kan beleven als ze zo letterlijk mogelijk worden opgeschreven.

Het evenwicht dat ze jarenlang wisten te handhaven, met een gedeelde belangstelling voor boeken, muziek, wandelen en poezen, raakt verstoord als ze allebei in het ziekenhuis belanden. Dan breekt er een crisis uit die zich maanden voortsleept. Moeten ze uit elkaar? Frida denkt dat dat de beste oplossing is – voor hem tenminste. Zij kan wel leven met een huwelijk dat niet perfect is, maar zij meent dat hij beter af is met een normale vrouw. Maar hij is bang dat hij zonder haar nog ongelukkiger wordt. Ze willen elkaar dus toch niet kwijt. Uiteindelijk blijft alles bij het oude. Tegen het eind van het boek stelt Vogels vast dat hun leven samen ‘wel heel triest en kleurloos’ is geworden, maar dat er in al die treurnis toch ook ‘een soort grootsheid’ te bespeuren is. In hun taaie verzet tegen allerlei maatschappelijke uitwassen vinden ze elkaar steeds. ‘Dat samen schrap staan heeft wel iets.’

Ik heb alle dagboekdelen tot nu toe gelezen. Wat dit deel zo levendig maakt, levendiger nog dan de vorige delen, is het uitgesproken karakter ervan. De zaken worden hier op de spits gedreven, zo noemt zij dat zelf ook. Conflicten worden opgezocht, ruzies uitgevochten, moeilijke onderwerpen toch bij de naam genoemd. Resultaat: veel pijnlijke onthullingen. Een rode draad vormen de zelfanalyses waaraan Vogels zich dag na dag met duivels plezier onderwerpt. Zij vindt zichzelf verwerpelijk, lelijk, onhandig, slecht gekleed en moeizaam in de omgang. Een tamelijk hopeloos geval: ‘een slak zonder huis’. Dat zij door Voskuil in zijn boeken wordt afgeschilderd als ‘een onverdraaglijke, koude, cynische charlatan’ ziet ze als haar ‘gerechte straf’. Ze heeft weinig waardering voor zichzelf, maar wil zichzelf niet anders voordoen dan ze is.

Dat ziet Vogels meteen ook als de grote opdracht in haar leven: haar tekortkomingen en mislukkingen onder ogen zien en ze door ze op schrift te stellen aanvaarden. Alleen zo, door zich steeds opnieuw rekenschap te geven van zichzelf, meent ze het leven met Enzo toch te kunnen voortzetten – hoeveel bedenkingen hij en zijn familie ook mogen hebben bij dat in hun ogen ongezonde geschrijf. Daarom is het ook zo bijzonder dat ze aan het eind van 1969 juist op dat gevoelige terrein onverwacht waardering krijgt, die aan al het voorafgaande getob ineens toch nog glans verleent. In oktober 1969 sterft plotseling haar schoonvader, op wie ze nogal gesteld was. In een impuls schrijft ze, speciaal voor haar schoonmoeder, in het Italiaans, een geestig, innemend verslag van de meerdaagse reis die hij in zijn eentje maakte en waarbij hij ook zijn zoon en schoondochter in Bologna bezocht. Vol bewondering en ontzag leest de familie het verhaal waarin ze Enzo’s vader moeiteloos herkennen. ‘Die bestudeert ons allemaal!’ zegt een van de tantes. Een van de Castellinese vrienden spoort haar aan om meer te schrijven, meer ook te laten lézen vooral. Eindelijk erkenning dus van haar talent. Natuurlijk breekt zij niet los in gejubel. ‘Ik was daar blij mee’, lezen we op 29 december 1969, waarna ze overgaat tot de orde van de dag.