Een jurist en dichter tussen ratio en woede

Achter twee publieke figuren school een gecompliceerde persoonlijkheid. Al vroeg kreeg de jurist Nagel oog voor het slachtoffer. En als schrijver debuteerde Charles imposant met de herhaalde zinsnede ‘ik verdom het’.

Kees Schuyt: Het spoor terug. J.B. Charles/W.H. Nagel. 1910-1983. Balans, 640 blz. € 24,95

Aan het eind van de zomer van 1944 werden drie leden van het verzet in Groningen verraden. Al snel werd de vriendin van een van hen, een koerierster die werkte onder de naam ‘Rennie’, ervan verdacht de mannen aangegeven te hebben. Op 30 augustus werd ze naar een boerderij in Roden gebracht, waar in een ‘veemgericht’ over haar lot moest worden besloten. Een van de ‘rechters’, door de illegaliteit naar Roden gehaald, was Willem Nagel, op dat moment ambtenaar bij de Tuchtrechtspraak in Groningen. Nagel ondervroeg Rennie, die gloedvol ontkende iets met het verraad van doen te hebben, al gaf ze wel toe een verhouding met een Gestapo-agent gehad te hebben.

Het viel Nagel en de anderen zwaar een oordeel over de jonge vrouw te vellen. Moest zij dood? Haar verraad kon niet onomstotelijk worden vastgesteld, meenden Nagel en de anderen en dus werd ‘Rennie’ niet geliquideerd, maar tot nader order vastgehouden op diverse plaatsen. Dat was het verkeerde besluit, bleek toen de koerierster begin februari in handen van de SD viel. Een groep van 60 verzetsstrijders werd door haar aangegeven, onder wie de broer van Willem Nagel. Deze Hendrik Nagel zou kort voor de bevrijding worden geëxecuteerd.

Het verraad van Rennie is een belangrijke passage in Het spoor terug, de biografie die socioloog Kees Schuyt heeft gewijd aan de criminoloog Nagel (1910-1983), die na de oorlog grote faam verwierf als de dichter en schrijver J.B. Charles en – onder zijn eigen naam – als vooraanstaand hoogleraar criminologie.

Nagel was een calvinistisch opgevoede jurist die grote waarde hechtte en plezier beleefde aan de precisie en het formalisme van de rechtspraktijk. Zijn rechtvaardigheidsgevoel dreef hem echter ook naar een steeds intensiever verzet tegen de Duitse bezetter. Begin 1945 zigzagde hij op de fiets door de straten van Groningen om aan een zekere arrestatie te ontkomen: hij zou zich de laatste maanden van de oorlog aansluiten bij Utrechtse verzetsgroepen. De verzetsman Nagel werd gedreven door morele verontwaardiging, het verlangen te strijden tegen het kwaad in de mens, ‘de boosheid van het hart’. Evenzeer speelde de verleiding van het avontuur een rol. Zoals Willem Nagel zich in de oorlogstijd ontpopte als de womanizer die hij de rest van zijn leven zou blijven.

Het zijn maar een paar van de puzzelstukken die Kees Schuyt in zijn biografie bijeenbracht. De twee loopbanen van Nagel/Charles zijn los van elkaar bezien niet zo heel erg opmerkelijk. Willem Nagel kwam als jong jurist in Groningen in aanraking met de hoogleraar M.P. Vrij, die hem wist te winnen voor het jonge vak criminologie. Nagel promoveerde op een grootscheeps en baanbrekend onderzoek naar de criminaliteitsgolf die het Brabantse Oss begin jaren dertig had geteisterd, vervulde als jurist diverse ambtelijke functies en kreeg uiteindelijk een aanstelling aan de universiteit in Leiden, waar hij zich ontwikkelde tot een vooraanstaand criminoloog, die zich regelmatig in het publieke debat mengde, in geschrifte en op tv.

De schrijver J.B. Charles probeerde zich na de oorlogsjaren een plaats te verwerven in de literaire wereld, wat eerst moeizaam ging, mede door zijn niet altijd vloeiende stijl. Hij werd redacteur van het tijdschrift Podium, waarin hij de eerste hoofdstukken publiceerde van wat Volg het spoor terug zou worden. Dat boek over het verzet werd bij verschijning in 1953 meteen een doorslaand succes, waarna hij ook al snel erkenning kreeg als dichter. Hij werd voorzitter van de schrijverscoöperatie De Bezige Bij en polemiseerde veel en vaak met collega-schrijvers over oorlog, verzet, fascisme en communisme.

Schuyt heeft zich met zijn biografie ten doel gesteld de mens achter deze twee publieke figuren over het voetlicht te brengen. Dat levert het portret van een – het zal niemand verbazen – gecompliceerde persoonlijkheid. De soms obsessief aandoende redelijkheid van de jurist gaat in deze biografie samen met de woeste uitbarstingen van de schrijver en polemist én de vaak juist lichte, kalme regels van de dichter. Nagel komt niet uit het boek als een uitgesproken prettige persoonlijkheid. In de loop van zijn leven geeft hij in zijn persoonlijk leven blijk van een groeiend egocentrisme en raakt hij in zijn publieke bestaan steeds sterker overtuigd van zijn eigen gelijk. Over het verzet, de Koude Oorlog, naoorlogse protofascisten en het wangedrag van de staat Israël – kwesties waarin hij het soms wel, maar lang niet altijd bij het rechte eind had. Zeker niet bij zijn pogingen om de reputatie van zijn vriend Gerrit Achterberg (moordenaar) en diens weduwe (NSB) te beschermen.

Willem Nagel mag een man met verschillende gezichten zijn geweest, er is in de biografie wel degelijk een lijn te ontdekken. Schuyt laat zien hoe de jurist en criminoloog Nagel zich steeds weer richtte op het individu, op de vraag waarom een bepaalde persoon al dan niet op het verkeerde pad raakte. De waarheid zocht hij in de details, niet zozeer in de grote lijnen en de overkoepelende structuren. Ongeveer zoals hij bij het beschreven veemgericht probeerde de mogelijke verraadster ‘Rennie’ te peilen. Die gerichtheid op het individu en het kleine, maakte ook dat hij in Volg het spoor terug de beleving en de dilemma’s van het verzetsleven zo indrukwekkend – ook voor wie het boek nu leest – wist op te roepen. Daarbij schoot hij heen en weer tussen juridische redeneringen en woedende uitbarstingen – de vele malen dat de uitdrukking ‘Ik verdom het’ in het boek voorkwam, maakte het onmiddellijk controversieel.

Zijn overtuigingen maakten ook dat Nagel als een van de eersten in zijn vak belangstelling kreeg voor dat ándere individu dat een rol speelt bij een misdaad: het slachtoffer. Schuyt constateert dat in bewondering, maar de socioloog wijst feilloos aan hoe Nagel een blinde vlek had voor de grotere maatschappelijke ontwikkelingen die de loop van een mensenleven beïnvloeden. Het al dan niet vatbaar zijn voor een ‘foute’ ideologie was voor Nagel een individuele kwestie. Zijn werk ging zonder meer uit van een scherpe tegenstelling tussen goed en fout en in de jaren na de oorlog deed hij zijn best de kenmerken van een mogelijke fascist in kaart te brengen, tot aan iemands voorkeuren voor muziek en beeldende kunst aan toe. Het is een werkwijze waar Schuyt weinig mee op heeft – de biograaf leeft na de dood van Pim Fortuyn en het debat over ‘demonisering’ dat op die moord volgde.

Het spoor terug is een volledige en scherpzinnige biografie, waarin Schuyt heldere verbanden legt tussen de lotgevallen van zijn hoofdpersoon en de historische context, als de jaren dertig, de Koude Oorlog en de provotijd. In de vorm schort er wel het een en ander aan het boek. Schuyt heeft een wat harkerige stijl, waarbij hij zijn verhaal soms onderbreekt voor een onelegante puntsgewijze opsomming. Ook geeft hij wel erg veel details, bijvoorbeeld over de beroepen van leden van Nagels schoonfamilie of het café waar zijn dochter achter de bar stond. Zeker in het laatste deel van het boek lijkt de biograaf enigszins door haast gehinderd: daar is een aantal overbodige herhalingen in de tekst geslopen – het boek werd deze week gepresenteerd op de honderdste geboortedag van de schrijver.

Nu was Nagel zelf ook verre van een vlekkeloze stilist – dat was een van de onderwerpen die W.F. Hermans gebruikte in zijn tegen J.B. Charles gerichte eerste Mandarijnen op zwavelzuur. Hermans verweet Charles niet alleen kaal te zijn en niet te kunnen schrijven, maar droeg hem vooral zijn te gematigde positie ten opzichte van het communisme na én verweet hem opportunisme: hij zou zijn literaire uitingen en bindingen afstemmen op zijn maatschappelijke positie als jurist. Dat verwijt was volgens Schuyt niet terecht, hij ziet Mandarijnen op zwavelzuur vooral als een uitval die werd veroorzaakt door jaloezie van Hermans die Nagel zijn academische positie misgunde en het succes van Volg het spoor terug. In de polemiek die volgde haalde Hermans zich de levenslange verbittering van Nagel op de hals door hem van collaboratie te beschuldigen, overigens zonder overtuigingskracht. Nagel wilde nooit meer iets met Hermans te maken hebben. Inmiddels is Hermans’ aanval op J.B. Charles beroemder dan de schrijver zelf nog is.

Schuyts biografie is te zien als een dappere poging om de schrijver en criminoloog voor de vergetelheid te behoeden, en voor wat Volg het spoor terug betreft, is dat dan ook volkomen terecht. Net als voor enkele gedichten uit het de laatste jaren veronachtzaamde oeuvre van Charles, zoals het ooit voor Han Hoekstra geschreven ‘De boom’, dat zo op een plaquette in de tuin van het Anne Frankhuis zou kunnen:

Ik heb daarnet een boom gekocht.

Nou ja, een boom, zo’n drie voet hoog.

Daarvoor wordt nu een plaats gezocht.

Je zegt: het is een tak, meer niet.

Hoho, met wortels en een kleine kluit,

je zult eens zien, daar groeit wat uit!

Het wonder is, hoe hebben ze de takken

er nu al in kunnen verpakken

met blad en knop, bloesem en al.

Ja, alles wat hij worden zal

zit er al in. Zelfs het brandhout na zijn dood.

Maar eerst wordt hij nog even groot.