Details

Ik geloof dat mijn levensgeluk in hoge mate afhankelijk is van het vermogen om delen van mijn omgeving te negeren. Ik geloof ook dat mijn leven verrijkt wordt door het feit dat mijn omgeving altijd een manier verzint om als fel zonlicht door mijn oogkleppen te breken.

Ik drink thee in de haven van Locquirec. Het is een plek waar je bijna niets hoeft weg te denken.

Mijn beker wordt neergezet door een vrouw die mismoedig voor zich uit kijkt. Het tafelblad biedt een nauwkeurig verslag van de maaltijd die voor mijn komst aan deze tafel is genuttigd. Ik sluit de neerslachtige serveerster in het donkere gebied achter mijn oogkleppen. Het vieze tafelblad past er ook nog wel bij. Maar de familie die naast me komt zitten, is te groot.

„Stop daar onmiddellijk mee”, zegt een kalende man nadat hij zijn lichaam in een stoel heeft gewrongen.

Zijn zoon kijkt verveeld op van achter een bos lang haar. Hij haalt een hand door zijn glanzende lokken.

„Dat bedoel ik! Die hand!”

„Waar heb je het over?” vraagt de jongen. Hij zit verstard in zijn stoel.

„Dat gewrijf en verwijfde gehannes met je haar. Het ziet er niet uit. Het is niet goed voor je. Het is niet goed voor mij.”

Even is het stil. Er komt alweer beweging in de jongen. Zijn moeder glimlacht.

„Zeg jij er nu ook eens iets van. Het is jouw zoon!” Tevreden zakt de man achterover. Zijn zoon draait in zijn stoel, haalt een hand door zijn mooie haar en kijkt in de verte.

Vlak vóór me komt een ouder echtpaar staan. Ze klappen een veldezel uit op de muur langs de haven. Erachter davert een grijze zee.

De vrouw vertelt de man hoe hij moet schilderen. Ze laat hem zien hoe je olieverf moet mengen met lijnolie. Hoe je eerst een opzet maakt en dan aan het echte werk begint. Ze kijkt niet naar de zee. Ze heeft het te druk met de kopjes schuim die op haar doek verstijven.

„Je moet beweging suggereren door te werken met korte, felle stroken”, zegt ze.

„Je weet toch dat ik niet kan schilderen. Ik doe maar wat.”

„Op de kunstacademie heb ik geleerd dat het gaat om de details en de –” Haar stemgeluid gaat verloren in het geluid van de golven die tegen de rotsen breken.

De man verliest zich in de zee die zich voor ons uitstrekt. Af en toe herinnert hij zich het doek dat om invulling vraagt en zet hij een streep. Maakt hij een vlek.

Er ontstaat een minimalistisch Bretons landschap, maar vooral een weergave van er niet helemaal zijn.

Tot mijn geluk verschijnt er een docent die dit schilderij het werk van een genie noemt. De vrouw begint te lachen. Ze denkt dat haar man in de maling wordt genomen. Haar man lacht hartelijk mee.

Maar dan roept de docent een groep bijeen. Van achter struiken, bomen, boten en rotsen komen schilders met veldezels en schetsboeken tevoorschijn om het minimalistische landschap te bewonderen.

De vrouw krimpt onder de lof die haar man ten deel valt.

Ik weet niet waar ik moet kijken wanneer ik de man na afloop hoor zeggen: „Het spijt me, dat was echt niet mijn bedoeling, liefje.” Hij neemt haar hand. Ze wandelen naar het strand en verdwijnen in een gedetailleerd landschap.