De enige kleur die je kunt voelen

Ook kleuren hebben geschiedenis. Wat heeft de kleur rood allemaal meegemaakt? Het Tropenmuseum in Amsterdam stelt dit najaar rode voorwerpen van over de hele wereld ten toon, van Ferrari’s tot vagina’s.

De natuur is vaak braaf van kleur. Op het strand is alle kleur ingetogen, beige en grijs en blauw dat net geen grijs meer is. Mooi hoor. In een bos verschilt het groen dan weer subtiel van kleur. Ook mooi. Je moet in de Nederlandse natuur naar geweld grijpen om felheid te zien. Sinaasappels groeien hier niet, koraal is diep in zee, bloed onder de huid. Pak een mes en snij open, laat kleur in deze gematigde streken stromen.

Rood is de enige kleur die je kunt voelen. Blauw is slechts overdrachtelijk, en eigenlijk alleen in het Engels een gevoel, rood worden kun je echt. Maar ook hier is er vaak geen overeenstemming tussen uiterlijk en innerlijk. Blozen voelt degene die bloost meestal het vurigst. De kleur voelen is intenser dan hem zien.

Ik liep eens over een Zeeuws strand en de zon scheen. Toch was alles grijs en beige en blauw. Tot ik een plastic stuk touw zag. Fel oranje. Geweld of verlegenheid is niet meer nodig. Wat de natuur niet geeft, kunnen we zelf maken. Ook hier in het Westen zou het van kleur kunnen wemelen. Toch is dat niet zo. De kleuren van de stad zijn al net zo ingetogen als die van het land, ook al is het niet groen of beige dat hier dominant is maar rood, het is wel het bleke rood van baksteen; rood alsof het eigenlijk beige is.

Op stad en land heb je minder invloed dan op het interieur. Maar ook thuis kan ik weinig felle kleuren vinden, en al helemaal geen fel rood. Het mooiste rood, het maandrood van de menstruatie, gaat meteen de prullenbak in. Een korte zoektocht levert weinig rood op. Ik loop door mijn eigen huis met een notitieblok en noteer een paar boekomslagen, de voet van een lamp, een kaarsje in de vorm van een hart, nog een kaars, de strepen op een theedoek, een kastje, een lieveheersbeestje, een pan, de kinderwagen, tomaten. En dan is er nog een rode platenhoes van Moritz Ebinger, een kunstenaar die een radioshow over rood verzorgde vanuit een geheel rood geverfde studio in museum Boijmans Van Beuningen.

Het ligt dus niet alleen aan de natuur dat er zo weinig rode dingen om ons heen zijn; ook in een door mensen gemaakte omgeving is er weinig rood. Misschien gebeurt het een in navolging van het ander. Buiten weinig kleur, dan binnen ook, het oog wil wat het gewend is. Ook binnen blijft rood een klaproos in een korenveld.

Zo dacht ik tot ik op een boek stuitte van de Australische antropoloog Michael Taussig. What color is the sacred?, een boek dat het gebruik van kleur meer geschiedenis geeft. Volgens Taussig bestaan er twee soorten mensen: chromofielen en chromofoben, kleurliefhebbers en kleurhaters. Die twee soorten zijn niet gelijkelijk over de aarde verdeeld: de chromofoben wonen in Europa, de chromofielen in de rest van de wereld. De geschiedenis van kleur is in de afgelopen eeuwen vooral een koloniale geschiedenis.

Kleur is dus geen constante, ook al schreef Goethe tweehonderd jaar geleden dat meisjes vooral van roze houden. Dat doen ze nog steeds. Maar rood is niet meer zo’n machtige kleur als tweeduizend jaar geleden. Obama draagt geen rood pak. Sinterklaas nog wel.

Dat kleur een koloniale geschiedenis heeft, is een idee als suiker die in de thee valt; het smaakt meteen goed. Daar hoef je Taussigs boek niet eens voor te lezen. Dat zie je meteen voor je. Hoe de missionarissen de inboorlingen in de negentiende eeuw niet alleen probeerden aan te kleden, maar ook te ontkleuren. En dat in een tijd waarin kleuren juist steeds algemener beschikbaar werden, sinds ze niet meer moeizaam uit allerlei stenen, planten en dieren gewonnen hoefden te worden, maar allemaal uit het zwart van olie konden worden gehaald. Bont, zo kenschetste Goethe in 1810 de smaak van kinderen en wilden in zijn Farbenlehre.

Bont moeten ook de kralen geweest zijn die in Amsterdam werden gefabriceerd om in Afrika te ruilen tegen slaven. Van het geld dat met dit gekleurde glas werd verdiend kon men dan weer poseren voor zo’n schilderij in zwart pak met witte kraag, zoals er zoveel te zien zijn op schilderijen uit de Gouden Eeuw. Het rood van het joodse bruidje is uitzondering. Goethe gaf aan de chromofoben niet alleen een geografische bepaling. Volgens hem zijn alle ‘gebildete’ mensen bang voor kleur.

In het Tropenmuseum is dit najaar een tentoonstelling over de kleur rood te zien, met objecten uit alle werelddelen, dus ook uit Europa en Noord-Amerika. Een slimme keuze, want kleur lijkt universeel. Of rood op de ene plek meer voorkomt dan op de andere, valt uit de tentoonstelling vast niet af te leiden. Je weet immers niet of de getoonde voorwerpen in hun land van herkomst regel of uitzondering zijn. Misleiden is makkelijk. In de grote hal zal bijvoorbeeld een rode Ferrari komen te staan. Wat zegt dat? Grijs heeft het grootste marktaandeel op de Nederlandse automarkt, gevolgd door blauw. Ook de betekenis van rood is niet eenvoudig: er zijn nu eenmaal minder kleuren dan dingen die uitgedrukt kunnen worden. De overeenkomsten en verschillen tussen brandweerauto’s, het stoplicht van stoplichten, rode rozen en rode Ferrari’s spreken niet vanzelf en spreken elkaar soms tegen. Voor sommigen is rood de kleur van het huwelijk, voor anderen van het overspel.

Hoe moeilijk het is om kleuren en dingen te duiden blijkt uit twee voorwerpjes die straks op de tentoonstelling zullen prijken; ik heb ze alleen nog op een foto in het draaiboek gezien. Ze komen uit Bali en wordne bewaard in het Museum der Kulturen in Basel, bedenker van de tentoonstelling. Het zijn een penis en een vagina, vervaardigd van hout en kokosnoot en andere plantaardige materialen in de negentiende of twintigste eeuw. De penis is aandoenlijk; het lijkt een stuk speelgoed, niet voor volwassenen maar voor kinderen, de esthetiek van houten bootjes en blikken autootjes. De vagina is elegant; een Georgia O’Keefe in drie dimensies, met een leuk kransje haar en een kekke clitoris. De kleur lijkt vooral realistisch: de eikel, de schaamlippen en clitoris zijn rozerood. Maar zo eenvoudig is het niet. „Op Bali is rood niet altijd positief”, mailt het museum. „Hier is sprake van een amulet om de eigen lustgevoelens te bedwingen.”

Een beetje kennis smaakt naar meer kennis. Zoetere thee. Hoe zou het kijken naar deze lieve dingen lustgevoelens bedwingen?

Het is een van de prerogatieven van kunst dat ze meer vragen mag oproepen dan beantwoorden. Etnografica lijken in die zin vaak kunst; uit hun context gehaald stimuleren ze op dezelfde manier; een soort dromerig denken dat in dit geval bijvoorbeeld in de richting van Picasso gaat, die een stier zag in enkele onderdelen van een fiets. Zou de maker van de penis altijd dezelfde vruchten voor de testikels gebruiken of is het een gelukkig toeval? En wijst deze manier van denken op een andere omgang met beeld dan westerlingen zich kunnen voorstellen? Iets afbeelden maakt het in onze ogen begerenswaardig; zo is het ons geleerd. Misschien maakt of maakte je op Bali wel iets smerig door het af te beelden, vergaat de lust je door het zien. Een pin-up is een put-down. Schilderen is ontheiligen.

Kleur is niet kostbaar meer. Is het nog voor te stellen dat blauw duurder was dan goud, dat het zeldzaam was, dat sommige mensen het alleen op onbewolkte dagen konden zien, dat je voor rood moest wachten op de zonsondergang? Het is waarschijnlijk net zo min voorstelbaar als dat je voor de uitvinding van de grammofoon muziek alleen kon horen als iemand die maakte. Alles zou nu rood kunnen zijn, zoals Moritz Ebinger liet zien in zijn radiostudio, waarin een dikke laag rood tafels, stoelen, vloer, microfoon, muren, kleding, bril bedekte – alles, alles rood. Maar dat is uitzondering. De makkelijke verkrijgbaarheid van rood heeft niet tot meer gebruik van rood geleid. ‘Gebildete’ mannen en vrouwen beperken zich nog steeds graag tot zwart en wit, net als in de tijd van Goethe.

Toch moet het feit dat het nu zo makkelijk is allerlei kleur te zien, niet alleen door verf, maar ook door film en fotografie, gedrag beïnvloeden. Een gebruik als het volgende kan in onbruik raken. Seneca en Plinius schrijven over kleur en vis. Het gaat om de rode mul, een door de Grieken en Romeinen niet alleen om zijn smaak maar ook om zijn kleur gewaardeerde vis, die dan ook veel duurder was dan een koi nu. Vooral tijdens het sterven was die kleur mooi, zo mooi dat het kijken naar stervende vissen een tijdverdrijf werd. Zoals wij een museum bezoeken. Gasten kregen er een in hun hand, gevangen in een glas, opdat ze het goed konden zien. „Er is niets mooier”, schreef Seneca, „dan de kleuren van de stervende mul, als hij vecht en zijn adem uitblaast is hij eerst rood, dan wordt hij overvallen door bleekheid, en dan, geplaatst als hij is tussen leven en dood, krijgt hij een onzekere kleur.”

Het tegenovergestelde van blozen, is wat de vis lijkt te doen.