De elite voost en veinst

Vol ironie beschrijft de Catalaanse auteur Jaume Cabré de kleinheden van de Barcelonese burgerij in 1800.

Het boek staat vol komische en sprankelende conversaties.

Barcelona is nog maar twee maanden verwijderd van de 19de eeuw wanneer de Franse zangeres Marie de l’Aube Deflors, bijgenaamd de Nachtegaal van Orléans, vermoord wordt aangetroffen in haar hotelkamer.

De avond daarvoor heeft ze nog een recital gegeven ten overstaan van de maatschappelijke fine fleur van de stad. Nu wordt haar dood inzet van roddel, een snel politieonderzoek en een zo mogelijk nog gehaastere arrestatie.

Dat de jonge dichter Andreu Perramon, die de moord in de schoenen wordt geschoven, onschuldig is, weet de lezer van Jaume Cabrés roman Edelachtbare al vanaf het begin. Met vrijwel even grote zekerheid kan hij vermoeden dat die onschuld de beklaagde niet baten zal. Hogere belangen maken zijn terechtstelling onvermijdelijk. Op die belangen, de morele voosheid van de gevestigde Barcelonese machten en vooral de corruptie van rechtbankpresident Rafel Massó i Pujades laat Cabré in deze wervelende historische roman het volle licht vallen.

Van over de grenzen dringen nieuwe politieke, wetenschappelijke en artistieke ideeën langzaam in Spanje door, maar de gevestigde orde is even taai als immoreel, zo blijkt uit Edelachtbare. De rechtbankpresident krijgt zijn straf, niet omdat het recht zijn loop neemt, maar omdat ook hijzelf ten offer valt aan het spel waarin chantage en meedogenloosheid de toon aangeven. Waarheid en recht zijn hoogstens de dekmantels waaronder dat gespeeld wordt.

Aan het einde van het boek maakt niemand zich nog druk over de vraag wie de ‘Franse troel’, zoals de Nachtegaal in de volksmond inmiddels is gaan heten, nu eigenlijk vermoord heeft.

De Catalaanse schrijver Jaume Cabré, die een negental romans, talrijke film- en televisiescripts, essays, verhalen en kinderboeken op zijn naam heeft, brak drie jaar geleden in Nederland door met de vertaling van zijn bittere roman De stemmen van de Pamano. Daarin vertelde hij hoe wrang de repressie en wraakzucht na de Spaanse Burgeroorlog hadden toegeslagen en hoe tragisch een hele generatie Spanjaarden daardoor vermalen was.

In Edelachtbare, dat in het Catalaans al in het begin van de jaren negentig verscheen, slaat hij een veel luchtiger toon aan.

Vol ironie beschrijft hij de ondeugden en kleinheden van de Barcelonese burgerij rond 1800: hun onderlinge jaloezietjes, het in alle strijkages voelbare ellebogenwerk en de angstvalligheid waarmee naar buiten toe de stand wordt opgehouden: ‘Don Rafel at oesters als avondeten. Niet dat hij daar dol op was, maar af en toe moest aan het huisvuil van Huize Massó te zien zijn dat in dat paleis oesters werden gegeten. Daarna at don Rafel gekookte bietjes, waar hij wel dol op was.’

Dergelijke observaties, de sprankelende en vaak komische dialogen die Cabré zijn personages laat voeren en de vermakelijke zegswijzen die hij hun in de mond legt, maken deze aanstekelijk vertaalde roman van begin tot eind onweerstaanbaar.

Op elk moment weet de scenarioschrijver Cabré de spanning in het verhaal vast te houden, terwijl zijn verwoestend commentaar op de rechterlijke stand almaar wranger zijn werk doet. ‘Nietsnutten waren het’, zo laat hij rechtbankpresident Rafel op een zeldzaam moment van eerlijkheid denken, ‘die meer oog hadden voor hun onderlinge geschillen en nijd dan voor het persoonlijke drama van de ongelukkigen die de vonnissen aanhoorden.’ De lezer mag daar voor zijn eigen tijd het zijne van denken.

Jaume Cabré: Edelachtbare. Uit het Catalaans vertaald door Pieter Lamberts en Joan Garrit. Signatuur, 365 blz., € 22,95