Amsterdam slaat toe

Het hoofdstedelijk stadsbestuur verzond deze week een persbericht dat, als het niet om zo’n belangrijk thema ging, enige nostalgie zou kunnen oproepen. De eerste zin luidde: „De Gemeente Amsterdam sluit geen nieuwe samenwerkingsovereenkomst met de Republiek Suriname.”

Ten minste één associatie dringt zich na deze zin op. Amsterdam beschouwt zichzelf kennelijk nog steeds als een soort republiek die op voet van gelijkheid omgaat met de echte republiek Suriname. Omdat in Suriname onlangs voormalig legerleider Bouterse, die hoofdverdachte is van de Decembermoorden van 1982, verkozen is tot president, acht de stad Amsterdam bilaterale sancties tegen de staat Suriname kennelijk geboden.

Het klinkt alsof de zeventiende eeuw herleeft en de stad Amsterdam nu zijn schutterij in stelling gaat brengen.

Alle gekheid op een stokje, de beslissing heeft uiteraard ook actuele waarde. Er zijn serieuze redenen om de banden op te schorten of op een laag pitje te zetten. In Amsterdam wonen bijna 70.000 burgers van Surinaamse afkomst, circa 10 procent van de totale hoofdstedelijke populatie en 15 procent van de hele bevolking van Suriname zelf.

Als het gaat om de beoordeling van president Bouterse is de Surinaamse gemeenschap in Amsterdam verdeeld. Grof gezegd zijn de ouderen wat meer gekant tegen Bouterse, die bij de jongere generaties minder negatieve emotie oproept.

Gelet op die context is het niet onbegrijpelijk dat Amsterdam nadenkt over zijn verhouding tot Suriname. Het besluit van deze week is dus vooral een politieke stap. Vergelijkbaar met de plaatsnaambordjes ‘kernwapenvrije gemeente’ die in de jaren tachtig werden opgehangen door steden en dorpen, die zo hun bezwaar tegen de plaatsing van kruisraketten wilden markeren.

Het politieke karakter blijkt ook uit het feit dat een aantal projecten die ook voor de stad belangrijk zijn, niet wordt gestaakt. De samenwerking op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg, aidsbestrijding en drinkwaterbeheer gaat wel door. Daar is veel voor te zeggen.

Toch wringt er iets. En dat is de pretentie van Amsterdam dat de stad een eigen buitenlands beleid kan en mag voeren. Natuurlijk is het goed dat een stad, ook Amsterdam, werk maakt van zijn internationale contacten. Zo heeft jumelage bijgedragen aan de Europese eenwording. Handelsmissies kunnen, mits niet al te potsierlijk opgezet, van economisch belang zijn voor beide zijden.

Maar nu gaat het niet om een klassieke stedenband, zoals met Managua of welke andere hoofdstad dan ook, maar om betrekkingen met een soevereine staat. Toen de Amsterdamse korpschef Welten de contacten met de Surinaamse politie bevroor, denkend dat hij zo het beleid van minister Verhagen (Buitenlandse Zaken) uitvoerde, werd hij dan ook snel op de vingers getikt. Politie is een aangelegenheid van het Rijk.

Maar eigenlijk zou die competentie zich moeten uitstrekken tot alle bilaterale banden tussen staten.