Vuiltje

Dit zijn de dagen van de ruk- en valwinden die zich op je storten, terwijl je nietsvermoedend een hoek omslaat of een open ruimte tussen gebouwen oversteekt.

In Amsterdam zijn veel plekken waar een of andere reconstructie van weg of kade op voltooiing ligt te wachten. De klus is vrijwel geklaard, maar om geheimzinnige redenen wordt de afronding maanden, soms zelfs jaren uitgesteld. Ik vermoed dat het te maken heeft met de vrees voor hetzelfde zwarte gat dat de mensen na hun pensioen bedreigt: wat te doen als er niks meer te doen is?

Op zo’n plek bij de Haarlemmerstraat viel ik met enkele andere voorbijgangers in een hinderlaag van de boze elementen. De wind trok ons bijna omver en blies ons het losse zand van een nog ongeplaveid stuk grond in de ogen.

Toen ik weer kon doorlopen, voelde ik iets in mijn rechteroog. Vuiltje. Zandkorreltje? Zoiets. Ik wreef over mijn ooglid en liep door. Ging vanzelf wel weg, als je maar naar één kant toewreef, was mij al in mijn jeugd geleerd.

Wrijvend bereikte ik mijn huis, wrijvend liep ik naar boven en wrijvend probeerde ik iets te lezen. Maar het hielp niet. Toen besloot ik de natuur haar werk te laten doen en hield op met wrijven.

Er bleef iets in mijn oog prikken en ik kon het knipperen niet laten. Handspiegel erbij – niets te zien. Een glassplintertje misschien? Was het daarom onzichtbaar? Weet je wat: wegspoelen met water, waarom niet. Ik zou moeten huilen. Waren er nog uien? Fijn, schilletje eraf en snipperen maar. Dit alles op ooghoogte. Resultaat: twee machteloze tranen. En ik dacht nog wel dat filmacteurs met een bos uien de tranen opwekten.

Daarna hield ik mijn hoofd scheef en liet lauw water uit een kopje langs mijn oogbol glijden. Probeer het eens. Je oog protesteert en knijpt zich woedend dicht: sodemieter op.

Daarna deed ik een poosje niks. Ik zat in de stoel en dacht aan mijn oog dat bleef steken. Moest ik zó de avond in? Misschien kon ik beter naar ‘de eerste hulp’ gaan. Vroeger heette dat zo, maar op internet zag ik (knipperend) dat het bij het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis nu ‘Spoedeisende hulp’ wordt genoemd. Een van de adviezen: „Denkt u opgenomen te moeten worden, dan is het handig om toiletartikelen, ochtendjas, pantoffels en nachtgoed mee te nemen.”

Ik ben geen hypochonder, maar zoiets zet je tóch aan het piekeren. Mijn eerste gedachte: is mijn onderbroek nog schoon genoeg?

In de tram naar het ziekenhuis kwamen de andere gedachten. Ik was nu drie uur verder en mijn oog schrijnde nog steeds als de hel. Ik zag al een arts geconcentreerd boven mijn oog hangen terwijl hij tegen een assistente zegt: „Geef mij de pincet eens even aan.” Zij vraagt: „De grote of de kleine?”

We naderden de laatste halte. De laatste halte! Toemaar. Ik keek naar buiten en weer voor me. Toen gebeurde het. Of beter: er gebeurde niks. Alleen, ik voelde opeens niets meer. ‘Het’ was weg. ‘Het’ leek er wel nooit geweest. Mijn oog herademde, samen met mij.

Even later passeerde ik de ingang van ‘Spoedeisende hulp’ met een raar gevoel. Opgelucht, maar toch ook enigszins onvoldaan, als iemand die aan een moeilijke missie begonnen is, maar die niet heeft kunnen voltooien. Onze Lieve Heer (of Vrouwe) zou zeggen: „Het is ook nooit goed of het deugt niet.”