Recht op hoger beroep

Drie hoeraatjes voor vasthoudende advocaten die de strijd tegen een boete van 200 euro doorzetten tot bij de Verenigde Naties. Een ‘stroomlijning’ van het strafproces die Nederland in 2007 heeft doorgevoerd, blijkt het burgerrecht op een eerlijk proces te schenden. Aldus het VN-mensenrechtencomité eerder deze maand. ‘Den Haag’ is hiervoor berispt en krijgt het advies de wet aan te passen.

De uitspraak is niet bindend – maar het geschonden Internationale verdrag inzake burger- en politieke rechten (IVBPR) is dat wel. Daarin staat dat „ieder” die is veroordeeld, recht heeft op hoger beroep. In Nederland is dat niet meer zo. Wie een boete van maximaal 500 euro of een celstraf niet hoger dan 4 jaar wordt opgelegd, moet toestemming vragen om in appèl te worden gehoord. In kleine strafzaken is hoger beroep dus stilletjes veranderd van een recht in een gunst.

De VN-uitspraak is voor Nederland op zijn minst reden om zich te bezinnen. Het comité heeft geen macht, maar wel gezag en dus invloed. Heeft ‘Den Haag’ het juiste midden getroffen tussen (inderdaad) de noodzaak de appèlrechter een overdaad aan kleine zaken te besparen en het recht van de burger om tweemaal te worden gehoord? Is de praktijk van snelrecht, vlotte politierechters, mondelinge uitspraken en summiere controle van het bewijs niet te ver doorgeschoten? Het zijn stevige vragen, die advocaten niet alleen stellen maar gelukkig ook bevechten.

Wat voor de een immers een bagatelzaak of flutboete is, kan voor de ander een emotionele of principekwestie zijn. Het gevoel niet te zijn ‘gehoord’ of onrechtvaardig te zijn behandeld, kan de burger verbitteren. Er is in de rechtsstaat Nederland toch al een negatieve tendens naar het steeds vaker ‘bestuurlijk’ opleggen en afhandelen van sancties, louter door het Openbaar Ministerie. Waarbij toegang tot de rechter überhaupt niet meer vanzelfsprekend is.

Het VN-mensenrechtencomité is het geweten van de democratische rechtsstaat. Die moet zich daar dus ook wat van aantrekken. Nederland baseert zijn buitenlandse beleid op mensenrechten; de ‘internationale rechtsorde’ staat in de Grondwet. Genève herinnert eraan dat mensenrechten niet alleen voor de export zijn. En het bepalen van de reikwijdte evenmin louter een nationale bevoegdheid.

Eerder werd de Nederlandse regering kritisch bevraagd over de vrouwendiscriminatie die de SGP hier wordt toegestaan. Over het ontbreken van een rechterlijke toetsing vóórdat euthanasie wordt gepleegd. Over de centrale databank met vingerafdrukken voor het paspoort. Over de lange duur van het voorarrest, dat hier wel tot twee jaar kan oplopen. Op het ontbreken van een advocaat bij het politieverhoor. Op de ruime rol die de anonieme getuige in het strafproces mag spelen. Op het gebrek aan vertrouwelijk contact tussen burger en advocaat. Op de zwakke rechtsbescherming voor asielzoekers die verzeilen in de 48-uursprocedure.

Dit zijn nooit ‘praatjes voor de vaak’. Maar harde kritiek die tot aanpassingen moet leiden.