Overdag op kantoor, 's nachts de straat op Ims niet tegen elkaar aan zetten!!!!!!!!!!!!!

Melissa Scholten (24) fotografeerde meer dan honderd graffitischrijvers.

Ze vindt dat graffiti hoort bij de dynamiek van een grote stad. Haar expositie ‘Alter Ego’ is vanaf vandaag te zien.

Hoewel graffitischrijvers overal hun naam achterlaten, zijn ze tegelijk meestal volstrekt anoniem. Buiten een kleine harde kern van graffitiartiesten weet niemand wie er achter de vele tags (snelle graffitihandtekeningen) en pieces (uitgebreidere graffitischilderingen) in de stad schuilgaat. De schrijver gaat ’s nachts op pad en wanneer de stad de volgende dag wakker wordt, staan overal weer nieuwe krabbels of zelfs hele kunstwerken.

Melissa Scholten (24) uit Amsterdam houdt van graffiti. Ze heeft vrienden die het maken en ze vindt graffiti het kenmerk bij uitstek „van een grote, dynamische stad. In grote Europese hoofdsteden als Parijs en Londen zijn ze de laatste tijd steeds fanatieker graffiti aan het schoonmaken; ik vind dat zo zonde”.

Scholten volgde een fotografieworkshop bij Yamandu Roos, een Nederlandse fotograaf die regelmatig elementen van de hiphop- en straatcultuur vastlegde, en kwam daar op het idee de makers van al die graffiti uit de anonimiteit te halen.

Scholten: „Ik wilde laten zien wie ze zijn. Je hoort voortdurend die verhalen van vroeger, en je ziet hun werken, maar je ziet nooit wie er achter al dat werk zit.” Een expositie van haar portretten van ruim honderd graffitischrijvers die van de jaren zeventig tot begin jaren negentig in Amsterdam actief waren, is vanaf vandaag te zien in Trouw Amsterdam. De schrijvers poseren in hun woning, met hun kinderen, of voor een volgekladde muur. Sommigen dragen een zonnebril, maar velen zijn ook volledig herkenbaar.

En dat is verrassend, want dat graffitischrijvers doorgaans anoniem zijn, is tenslotte niet zonder reden. Het aanbrengen van graffiti is illegaal. Wanneer de naam en adresgegevens van een individu worden gekoppeld aan een naam die in de stad of op treinen veel voorkomt, kan dat iemand torenhoge boetes en teruggevorderde schoonmaakkosten opleveren. De oplossing die Scholten bedacht: ze levert bij haar expositie een volledige namenlijst, maar zet de namen van de artiesten niet afzonderlijk bij elke foto. „Het is geen smoelenboek”, zegt ze. „Net als bij een tag op straat blijft er een mysterie: wie zou het zijn, die achter die ene tag zit? En op deze manier kunnen ze altijd ontkennen.”

Ondanks die voorzorgsmaatregel waren er nog steeds genoeg graffitischrijvers die niet mee wilden doen, zegt Scholten. Omdat ze nog steeds actief zijn en er regelmatig ’s nachts op uittrekken of omdat ze niet wilden dat hun werkgever op de hoogte was van hun vrijetijdsbesteding. „Bij sommige functies is dat niet zo relaxt”, zegt Scholten met gevoel voor understatement. „Een van hen werkt bijvoorbeeld bij de GVB. Maar een ander, die reclasseringsambtenaar is, deed wel weer mee.”

Veruit de meeste schrijvers die ze portretteerde, hebben een vrij, creatief beroep. „Dan is het minder een probleem. De meesten doen iets in de kunst of reclamewereld en zijn zelfstandig ondernemer. Ze houden niet van regeltjes.” Scholten wil met haar foto’s laten zien „dat het normale mensen zijn die iets ondeugends hebben. Het zijn de mensen met wie je op kantoor werkt, of die naast je in de tram zitten, uit alle lagen van de bevolking. Als je ze op straat ziet, zou je niet verwachten dat ze ’s nachts op een yard (rangeerterrein, red.) lopen om treinen te bespuiten. Er zitten ook mensen tussen die nu al twintig jaar geen spuitbus meer hebben aangeraakt. Of die alleen nog in het weekend, lekker met wat vrienden, op een legale muur creatief aan de slag gaan met letters. Maar bij allemaal gaan de ogen open zodra het over graffiti gaat. Het zijn nog steeds creatieve deugnieten, die genieten wanneer ze al die ondeugende verhalen vertellen.”

Scholten weet dat er vroeger veel harde gevechten werden geleverd in de graffitiscene, en kent de verhalen over graffitispuiters die zich ook met andere criminele activiteiten bezighielden. Ze snapt ook dat door bijvoorbeeld de Nederlandse Spoorwegen, of door iemand bij wie zojuist de voordeur is onder geklad, beduidend minder romantisch naar het volspuiten van treinen wordt gekeken. „Maar voor mij zijn het mijn helden”, zegt ze. „Vooral die jongens van vroeger die iets hebben neergezet en die al de generaties na hen geïnspireerd hebben.” Ze zou zelf geen sopje pakken als haar voordeur onder zat. Lachend: „Nee hoor, ik hou wel van lekker rauw. Op een monument moet je geen tag zetten, maar verder hoort het voor mij echt bij de vibe van de grote stad.”

Want Scholten waardeert niet alleen de uitgebreide wild styles en andere pieces; de kleurrijke bonte schilderingen die in de kunstwereld in de afgelopen decennia ook waardering hebben gekregen. Ze houdt ook van de snelle, rauwe tag die alleen maar snel wordt gezet om naamsbekendheid te krijgen. „In de context van een volledige muur die volstaat, vind ik dat helemaal niet lelijk. Het geeft de stad rauwheid, zo’n tag die lekker flowt, die lekker vloeiend loopt, met mooie letters of gewoon met allemaal druipers.”

Scholten is zelf ook weleens met een spuitbus op pad gegaan en had ook een tijdje een geliefde die een fanatieke tagger was. „Ik ging soms ’s nachts mee, en dan stond ik op de uitkijk. Ik vond het doodeng en was de hele tijd stressed out: straks komt er iemand en moeten we rennen! Het is niets voor mij; ik hou zelf ook helemaal niet van de anonimiteit die erbij hoort.”