Je zult maar 'vmbo'hebben gedaan

Aan het vmbo kleeft een stigma: het is voor de verliezers van de basisschool.

Een radicale breuk is nodig. Leerlingen moeten trots zijn.

Illustratie Merlijn Draisma

Ook dit jaar begint meer dan de helft van alle nieuwe leerlingen in het middelbaar onderwijs niet aan een havo - of vwo-opleiding. Al die leerlingen krijgen één stempel opgedrukt: vmbo. Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. Een stempel dat voor hen betekent dat talloze toekomstmogelijkheden praktisch onbereikbaar zijn geworden.

Dat we dit zoveel kinderen op de leeftijd van amper 12 jaar aandoen, zou ons met schaamte moeten vervullen. En die schaamte zou natuurlijk een reden moeten zijn daar iets aan te doen. Dat dit niet gebeurt, komt doordat degenen die het in onze maatschappij voor het zeggen hebben, er maar weinig last van hebben.

De selectie op zo jonge leeftijd wordt vooral bepaald door wat kinderen van huis uit meekrijgen, vooral op het gebied van taalvaardigheid. Dankzij die vanzelfsprekende voorsprong krijgen de kinderen van hoog opgeleide ouders doorgaans een havo- of vwo-advies.

Hoogopgeleide ouders hebben dus geen last van deze vroegtijdige selectie. Sterker nog, zij hebben er zelfs baat bij. Dankzij deze maatschappelijke tweedeling stromen hun kinderen door naar een school die voornamelijk wordt bevolkt door kinderen met een vergelijkbare sociale achtergrond.

Maar vergeten wordt daarbij dat we er als maatschappij wel degelijk last van hebben dat veel talent wordt vermorst.

Vóór de invoering van het vmbo werd Nederland internationaal geprezen om de hoge mate van kansengelijkheid in het onderwijs. Tegenwoordig worden we echter jaarlijks door de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) gekapitteld voor het tegendeel. Sinds de invoering van het vmbo blijkt niet langer intelligentie, maar sociale achtergrond de meest bepalende factor voor succes in het onderwijs.

Hoe nu te verklaren dat we indertijd een behoorlijk functionerend schoolsysteem hebben ingeruild voor dit wangedrocht?

Tot zo’n tien jaar geleden hadden scholen als gevolg van teruglopende leerlingenaantallen de grootste moeite om hun klassen gevuld te krijgen. Zo lieten havo’s en vwo’s leerlingen toe voor wie de school in feite te moeilijk was en die eigenlijk thuishoorden op de mavo of het vbo. Het vbo (voorbereidend beroepsonderwijs) was vroeger de verzamelnaam van allerlei vakscholen, bijvoorbeeld op agrarisch of technisch gebied, of voor banketbakkers of schilders.

Van doorstroming van mavo naar havo was geen sprake meer – die leerlingen zaten allang op de havo. Vrijwel alle leerlingen van zowel vbo als mavo gingen dan ook door naar het hetzelfde vervolgonderwijs, het mbo. Die twee schooltypen waren dus één pot nat, zo was de gedachte, dus laten we die maar samenvoegen. En omdat tien jaar geleden politici het nog gewoon vonden op onderwijs te bezuinigen, werd besloten om daar ook nog het speciaal onderwijs (bedoeld voor allerlei categorieën probleemleerlingen) aan toe te voegen.

De samenvoeging was niet alleen onnodig, maar getuigde ook van naïviteit. Als je verschillende schooltypen samenvoegt met daarbij ook nog probleemleerlingen, zullen deze laatsten het beeld bepalen. Zo’n schooltype komt doorlopend negatief in het nieuws. Hoe divers de opleidingen binnen het vmbo ook zijn, de leerlingen gaan allemaal gebukt onder het stigma van een negatieve selectie: ze konden niet naar de havo of het vwo.

De invoering van het vmbo is funest geweest voor de kansen van kinderen van laagopgeleide ouders. Er is nu een tweedeling ontstaan in het onderwijs, misschien zelfs in de maatschappij.

Waarom accepteren we deze toestand nog steeds? Toen de ongunstige effecten van de tweedeling zichtbaar werden, had het voor de hand gelegen de samenvoeging ongedaan te maken. Bij bedrijven gebeurt soms zoiets onder druk van de aandeelhouders, als de resultaten sterk tegenvallen. Maar dat de waarde van vbo en mavo met de invoering van het vmbo gigantisch zijn gekelderd, dat voelt niemand in zijn portemonnee.

Er vindt nu wel een heel geleidelijke ontbinding van het vmbo plaats, met de oprichting van nieuwe vakcolleges. Er zijn verschillende plaatselijke initiatieven. Dat is lovenswaardig, maar de sociale tweedeling wordt daarmee niet tegengegaan. Willen we daar een einde aan maken, dan zullen we in de eerste plaats van het stigma van het vmbo af moeten. De naam ‘vmbo’ moet worden afgeschaft. Alleen een radicale breuk met de term vmbo kan ervoor zorgen dat er aan het eind van de basisschool niet alleen winnaars en verliezers zijn, maar dat alle leerlingen een vervolgopleiding kiezen die aansluit bij hun talenten.

Daartoe moeten we juist het eigen karakter van de verschillende opleidingen benadrukken. Het vbo krijgt weer allerlei beroepsgerichte varianten, zoals een schildersopleiding en een detailhandelschool. Een leerling die een opleiding tot elektricien volgt aan een technisch vakcollege met een goede naam, is veel eerder trots op zijn toekomstige vak dan een leerling op een grote leerfabriek.

De keuze voor dat type onderwijs is dan niet meer het resultaat van negatieve selectie, maar wordt ingegeven door aanleg en interesse.

Politici zijn sinds de commissie-Dijsselbloem (2008) huiverig om in te grijpen in de structuur van het onderwijs. Er kwam toen harde kritiek op de ongebreidelde veranderdrift van politici, die het onderwijs nauwelijks met rust lieten. Maar niets ondernemen tegen deze beschamende situatie is geen optie.

Leo Prick is medewerker van NRC Handelsblad. Hij schreef boeken als ‘Onderwijs op de divan’ (2000) en ‘Zo kan het echt niet langer. Kritische beschouwingen over het onderwijs’ (2002).