In Abidjan scheidt slechts een stoffig pad arm van rijk

Deze zomer reizen onze correspondenten langs een grens – een echte, een historische of een denkbeeldige. Vandaag: langs arm en rijk in Abidjan.

Inwoners van de sloppenbuurt Blingué in Abidjan. Foto Pauline Bax

Rechtsaf de deur uit door een laan met palmbomen. Dan links door de straat met de ambassadeurswoning en de rollen prikkeldraad op de omheining van de buren. Aan het einde van de straat naar rechts, omhoog de heuvel op, langs een duur restaurant en een villa met camerabewaking. Meestal groet ik de bewakers die in de donkere avond op bidmatjes voor de garagedeur zitten. Soms blaft mijn hond naar een onzichtbare waakhond achter een hek met een waarschuwingsbordje: chien méchant (‘pas op voor de hond’).

De grens tussen rijk en arm is een stoffig voetpad in stug gras. Het ligt naast een reusachtig woonhuis in aanbouw en loopt zo steil naar beneden dat het vrijwel meteen uit het zicht verdwijnt. De grens bestaat niet op papier. De grens is niet gemarkeerd. Maar nooit zullen de bewoners van de villawijk zomaar het voetpad nemen en de grens oversteken. Beneden in het dal ligt Blingué, een sloppendorp met golfplaten daken tussen twee heuvelruggen. En in krottenwijken als deze hebben villabewoners niets te zoeken.

In Abidjan, de grootste stad van Ivoorkust, wonen rijk en arm vlak naast elkaar. De rijken negeren de armeluisbuurten, maar de bewoners van Blingué klauteren iedere dag de heuvel op. Hier boven heet het Riviera, een doodkalme villawijk vol gemanicuurde dames, heren in pak en kinderen met computerspelletjes. Daar beneden woont hun personeel. De mannen in Blingué werken allemaal als poortbewaker, kok, schoonmaker of hovenier. Ze verdienen gemiddeld 90 euro per maand. Daarvan gaat 15 euro op aan de huur van een huisje met één deur en twee kamers. Hier boven beslaat de huur van een bungalow minstens 800 euro per maand, maar dan krijg je er ook een zwembad bij, een tuin en een manshoge muur die het leven op straat aan het zicht onttrekt.

Vroeger was het voetpad van de villawijk naar het sloppendorp ook een grens tussen blank en zwart, maar die grens is geleidelijk weggepoetst. De geschiedenis van de villawijk laat zich vertellen door buurtkruidenier Salif, die in 1979 een houten winkeltje opende met frisdrank, sigaretten, suiker en wc-papier. Salifs sleetse stoep is een enclave van rommelige gezelligheid in een buurt waar je alleen een glimp opvangt van de buren als ze in hun Mercedes komen aanrijden en voor de poort wachten tot het personeel de garagedeurvoor ze opendoet. Dienstmeisjes op plastic teenslippers sloffen naar Salif om vers stokbrood voor madame te halen. Chauffeurs kopen bij Salif een zakje waspoeder zodat ze de auto van monsieur kunnen wassen.

Salif is een traag bewegende, vriendelijke man met grijze stoppels. Hij weet nog goed hoe maïsakkers en maniokplanten in 1976 het veld moesten ruimen voor splinternieuwe bungalows. Hij woonde zelf op zo’n akker, in een gammel huis waarvan hij wist dat het niet voor de eeuwigheid was bedoeld. „Het is bijna onvoorstelbaar, maar vijfendertig jaar geleden was dit allemaal bush”, zegt hij. Abidjan breidde zich razendsnel uit: tienduizenden Europeanen vestigden zich in Ivoorkust, dat als het economische wonder van Afrika gold.

Aanvankelijk waren het alleen blanken die de bungalows in de villawijk konden kopen. Zo kreeg het de bijnaam ‘De Miljonairs’. Maar de blanken zijn vertrokken of verhuisd naar nieuwere buurten. Nu kent iedereen de wijk als Riviera Jardins en wonen er vooral Ivoriaanse ambtenaren van middelbare leeftijd.

Ook het sloppendorp Blingué dateert uit de gouden jaren zeventig, toen de eenpartijstaat garant stond voor voorspoed en stabiliteit. De eerste bewoners waren arme boeren uit buurland Burkina Faso die in de vochtige valleigrond maïs en bananenbomen plantten. Het immigrantendorp groeide zo snel en zo onstuimig dat een plaatselijke gezaghebber het wilde laten ontruimen. „Gelukkig kregen we toen net lokale verkiezingen”, zegt dorpshoofd Moumouni Konda, die op het aangeveegde dorpsplein een stoel onder een cacaoboom aanbiedt. „Een van de politici van de regeringspartij kwam naar ons toe en beloofde ons dat we konden blijven als we allemaal op hem zouden stemmen. Ons dorp zou verankerd, vastgezet worden – blindé. Dat kunnen wij niet goed uitspreken, dus is het gaandeweg Blingué geworden.”

Blingué wordt geregeerd door God en geldproblemen. Het heeft twee kerken en drie moskees. De villawijk daarboven telt meer dan dertig zwembaden. De huizen hier beneden hebben geen stromend water en geen toiletten: kinderen worden gewassen in een teiltje voor de deur. De vrouwen verkopen groenten of bakken flensjes langs een pad van rode aarde dat dient als openbare straat. Veel bewoners van Blingué zijn nooit naar school geweest. „Goed beschouwd zijn we daarom helemaal niet slecht af”, vindt dorpshoofd Konda, die bovenop de heuvel als nachtwaker werkt voor een Ivoriaanse zakenman. „Onze belangrijkste zorg is dat de lonen niet omhoog gaan, maar de prijzen voor levensonderhoud wel.”

Hij neemt me mee op een ronde door het dorp. Iedereen groet hem, iedereen groet mij. In Blingué wordt op straat geleefd, in de warmte, in het stof, onder de rook van houtskoolvuur en de weeë stank van vuilnis. In Riviera klinkt alleen het gekwetter van vogels. „Ach, zo is de maatschappij nu eenmaal”, verklaart chef Konda. „Zo is het leven.”