Geef aan 555, doe mee aan de War on Terror

Wie hulp biedt aan een corrupt land als Pakistan, dat bovendien in een oorlog is verwikkeld, moet beseffen dat hij onvermijdelijk partij kiest, stelt Linda Polman.

Van de meer dan 30 fondsenwervingsacties van de Samenwerkende Hulporganisaties (SHO) sinds 1988 verliep er zelden een zo stroef als voor de watersnoodramp in Pakistan. Aan de omvang van de ramp kan dit niet liggen: de gevolgen lijken groter dan die van de tsunami (2004), en de aardbevingen in Pakistan (2005) en Haïti (januari 2010) bij elkaar. Eenderde van Pakistan staat blank, 8 miljoen Pakistanen verkeren in acute nood.

Als de opbrengst van de tv-actie vandaag zal zijn opgeteld bij de 5 miljoen euro die nu al op giro 555 binnen zijn, zal de watersnoodramp blijken te behoren tot de middenmoters op de lijst van SHO-wervingssuccessen, waarschijnlijk boven de actie voor overstromingsslachtoffers in Mozambique (in 2000, 11 miljoen euro) en ergens onder de aardbevingsslachtoffers in Turkije (2000, 30 miljoen euro).

In tv-spots laat de SHO bekende Nederlanders uitleggen dat Pakistanen onze hulp verdienen, omdat het óók gewone mensen zijn. De SHO gaat er kennelijk vanuit dat beelden van Pakistaanse slachtoffers alleen niet voldoende zijn om ons beeld van hen als ‘terroristen’ te veranderen.

Voor Pakistan maken de communicatiestrategieën van de SHO overigens nauwelijks iets uit. Niet giro 555, maar ’s werelds grote donorregeringen en institutionele donoren brengen Pakistans brood op de plank. Zij maakten van Pakistan allang voor de ramp een donor darling, in ruil voor Pakistans bondgenootschap in onze War on Terror. Sinds 2001, het begin van de oorlog, stuurde topdonor Amerika al ruim 20 miljard hulpdollars naar Pakistan. In de komende vijf jaar komen daar nog eens 1,5 miljard dollar per jaar bovenop. Andere westerse donoren doen daar honderden miljoenen per jaar bij, waaronder Nederland met jaarlijks 50 miljoen euro.

Wat we in de SHO-spots niet uitgelegd krijgen, is dat hulp in oorlogsgebieden nóóit alleen voor de aardigheid is. Altijd zijn hulpfondsen direct aan politieke doelen gelinkt. De Amerikaanse miljarden worden geschonken met de bedoeling dat Pakistan de Talibaan bestrijdt, zowel militair als in de vorm van armoedebestrijdingsprojecten die de Pakistaanse bevolking uit de klauwen van jihad-recruteerders moeten houden. Net zo goed gebruiken de Talibaan en andere extremistische groepen hulp ook in hun oorlogsstrategie. Om de harten van de bevolking te winnen staan ze met hulpgoederen vooraan. Het Pakistaanse leger is de derde partij die zijn strategische doelen dient met hulp. Vóór de watersnood was het leger al het machtigste instituut, de Amerikaanse miljarden maakten de militairen alleen maar machtiger.

Het Pakistaanse volk hield van alle partijen in de oorlog aan onze hulp het minste over. Ook vóór de watersnoodramp leefden 62 miljoen van de 170 miljoen Pakistanen al onder de armoedegrens. Hulpgeld dat niet werd besteed aan herbebossing, onderhoud van kanalen, oevers, stuwen en waarschuwingssystemen heeft aan hun ellende bijgedragen. Het zijn ook de armsten in de getroffen gebieden die nu geen voedsel meer kunnen betalen voor zichzelf en hun vee. Hun uitzichtloosheid komt deels voort uit hun wetenschap dat de rijken het hulpgeld toch weer voor zichzelf gaan houden.

Aan de misdadige verhoudingen in Pakistan heeft onze hulp niets veranderd. Tegenstellingen zijn alleen maar verder op scherp gezet. Ook nu het oorlogsgebied onder water staat, gaat het misbruik van hulp als machtsinstrument door.

Hulporganisaties zouden verantwoordelijkheid voor hun rol op het machtspolitieke ganzenbord moeten nemen. In de komende jaren, misschien wel decennia, zullen niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) steeds vaker in ‘Pakistaanse toestanden’ belanden. In 2001, na de aanval op Manhattan, legde superdonor Amerika vast dat waar sprake is van een nationaal Amerikaans oorlogsbelang, hulpfondsen – en de ngo’s die de hulpfondsen besteden – voortaan moeten dienen als ‘versterkers’ van Amerikaanse militairen. Obama zet dat beleid voort, in een toenemend aantal landen ook nog.

De fronten van de oorlog tegen het terrorisme liggen, behalve in Pakistan en Afghanistan, nu ook in Jemen, Somalië, Mauretanië, Tsjaad en Mali. In al deze landen helpen ngo’s om westerse hulpfondsen te besteden aan armoedebestrijdings- en democratiseringsprojecten, als onderdeel van de strijd tegen de terroristische groeperingen die er hun kansen grijpen. In al die landen is hulp een wapen in die strijd. Landen waar vóór 2001 geen westerse politiek-militaire agenda gold, zijn nu ook al frontlijnstaten: Kenia, Oeganda en Thailand.

Ontluisterend is het om te constateren dat de SHO in zijn fondsenwervingsteksten voor Pakistan de oorlogscontext verzwijgt en zich op zijn site van belangrijke vragen over de eigen verantwoordelijkheid afmaakt met clichés, zoals dat hulpverlening „niet eenvoudig” is, maar dat SHO-leden „veel ervaring in dit soort landen” hebben. En dat „op corruptie streng wordt toegezien”. Een dooddoener van jewelste in een land waar corruptie structureel is. De claim dat hulporganisaties daar stokjes voor kunnen steken, wekt alleen maar wantrouwen.

Wie overweegt aan Pakistan te doneren, zou van de hulporganisatie een antwoord moeten verlangen op de vraag wie in een land als Pakistan het meest gebaat is bij de hulp: lokale strijdende partijen (inclusief de eigen donorregeringen) of het volk waarvoor de hulporganisaties zeggen op te komen. Als het antwoord ‘allebei’ is, wil u vervolgens natuurlijk graag van de organisatie uitgelegd horen waarom onze donatie toch meer goed dan kwaad doet.

Linda Polman is journalist. Zij schreef De Crisiskaravaan (2008).