Demissionaire Donner handelde ondoordacht

Marktrente is geen basis voor pensioenfondsen, vinden Willem Vermeend en Robin Linschoten.

Op 17 augustus werd Nederland opgeschrikt door een brief van demissionair minister Donner (CDA, Sociale Zaken) waarin werd aangekondigd dat 12 tot 14 pensioenfondsen in januari kortingen op pensioenuitkeringen moeten overwegen. Donner doet dit op advies van De Nederlandsche Bank (DNB) die is belast met het toezicht op de pensioenfondsen. De dekkingsgraad, de verhouding tussen de waarde van de beleggingen en de waarde van de pensioenverplichtingen, zou onvoldoende zijn.

De belangrijkste boosdoener daarvan is de huidige lage rente die op een historisch laag niveau van rond de 2,5 procent ligt. Per 1 januari is door een wijziging van de Pensioenwet bepaald dat de verplichtingen van pensioenfondsen gewaardeerd moeten worden op basis van de marktrente op overheidsleningen. Hierdoor treedt een jojo-effect op. Afhankelijk van de ontwikkeling van de rente voldoet een fonds op een bepaald moment wel of niet aan de vereiste dekkingsgraad, terwijl het bij pensioenen gaat om verplichtingen op de lange termijn.

Bij de discussie over de wetswijziging is onvoldoende aandacht besteed aan de gevolgen hiervan. Voor de wetswijziging werden pensioenverplichtingen gewaardeerd op basis van een vaste rekenrente van 4 procent. Dit systeem gaf meer zekerheid en heeft geen problemen met zich meegebracht. De achtergrond van de afschaffing van deze waarderingsregeling heeft veel te maken met de naar Europa overgewaaide Amerikaanse accountancy opvatting dat alle bezittingen en schulden zoveel mogelijk tegen (dag)marktwaarde moet worden bepaald.

Los van het onwenselijke jojo-effect is het moeilijk op een adequate wijze de marktwaarde van langlopende pensioenverplichtingen te berekenen. Voor de waardering van het pensioenvermogen kan gebruik worden gemaakt van beurswaarden, maar voor pensioenverplichtingen is er geen markt. Daarom draagt de wijze van waardering van de verplichtingen een arbitrair karakter.

Kijken we naar het buitenland dan zien we verschillende waarderingsmethoden. Sommige landen hebben gekozen voor een vast rendement, terwijl andere een gemiddeld historisch rendement hanteren. Deze methoden passen beter bij het gegeven dat het bij pensioenverplichtingen om langlopende verplichtingen gaat. Ook de OESO beveelt dit type waarderingsregelingen aan. DNB wil vasthouden aan de eigen Nederlandse, internationaal afwijkende, waarderingsmethode.

Wij vinden dan ook dat de pensioenverplichtingen moeten worden gewaardeerd op een wijze die internationaal gebruikelijk is. Daarbij zou voor de waardering gerekend kunnen worden met een voortschrijdende gemiddelde rente over een periode van tien jaar, waardoor het effect van rentefluctuaties sterk zal afnemen. Dan zal voor de meeste pensioenfondsen de dekkingsgraad nu voldoende zijn en kunnen ze hun beleid aanpassen aan een mogelijk lagere rentevoet in de toekomst. Paniekgedrag en oneerlijke pensioenkortingen zijn dan niet nodig.

Kunnen we volstaan met deze nieuwe waarderingsregel? Nee. Door de stijgende levensverwachtingen zullen de pensioenen duurder worden. En dat vraagt om aanpassingen van ons pensioenstelsel. Oplossingen zijn al neergelegd in het rapport van de Commissie Toekomstbestendigheid Aanvullende Pensioenregelingen dat januari van dit jaar werd gepubliceerd. Deze commissie adviseerde tot een versobering van ons pensioenstelsel. Versoberd zou kunnen worden door lagere uitkeringen, de pensioenleeftijd te verhogen of de deelnemers meer beleggingsrisico te laten lopen. De commissie wees er terecht op dat het vergrijzingsprobleem niet kan worden ondervangen door verhoging van de premies; die zouden op een zodanig niveau komen te liggen dat de concurrentiepositie van ons bedrijfsleven aangetast zou worden.

Gezien het grote maatschappelijke belang van de pensioenfondsen moeten er door een demissionair kabinet geen ondoordachte beslissingen worden genomen. Een nieuw kabinet moet in overleg met de werkgevers en werknemers met een zodanige wijziging van de Pensioenwet komen dat er waarborgen worden gecreëerd voor een houdbaar pensioenstelsel waarbij de lusten en lasten tussen oud en jong op een evenwichtige wijze worden verdeeld. Bij het overleg kan het recente STAR-pensioenakkoord worden betrokken.

Maar hijgerige aanpassingen doen afbreuk aan het karakter van de pensioenverplichtingen.

Willem Vermeend (PvdA) en Robin Linschoten (VVD) waren als staatssecretaris (Financiën, Sociale Zaken) in de paarse kabinetten (1994-2002) verantwoordelijk voor een vaste rekenrente van vier procent voor waardering van pensioenfondsen.