Anders was het niet gratis

Via een vriendin hoorde ik dat twee gezamenlijke vrienden gingen trouwen. Om over het enigszins genante aspect dat ik hier niets van wist heen te praten, zei ze haastig: „Maar het wordt geen grote trouwerij ofzo. Ze hebben voor de gratis dag gekozen.” Er zouden maar een paar mensen komen, de huwelijksuitnodiging was een mailtje.

Via een vriendin hoorde ik dat twee gezamenlijke vrienden gingen trouwen. Om over het enigszins genante aspect dat ik hier niets van wist heen te praten, zei ze haastig: „Maar het wordt geen grote trouwerij ofzo. Ze hebben voor de gratis dag gekozen.” Er zouden maar een paar mensen komen, de huwelijksuitnodiging was een mailtje. Omdat ik er toch graag bij wilde zijn, vroeg ik hoe laat de plechtigheid zou plaatsvinden. Dat was half negen ’s ochtends. Anders was het niet meer gratis.

Bij het stadhuis zie ik een vrolijke en talrijke groep familie en vrienden wachten, en ik realiseer me dat het toch wel wat vreemd is om onaangekondigd op een huwelijk te verschijnen. Er is immers een woord voor: wedding crashen. Het is maar goed dat er geen feest is, zodat ik niet per ongeluk een wedding crasher kan worden die al tongzoenend met een fles champagne tussen de aangeknaagde petitfourtjes onder een tafel wordt teruggevonden.

Als we het koppel (dat stralend en heel Turks Fruit op één fiets aan komt rijden) met applaus verwelkomen en ze vervolgens naar binnen volgen, vraag ik me af waaraan je verder kunt merken dat dit de gratis variant is. Worden ze tegelijkertijd met twee andere stellen getrouwd? Krijgen ze trouwboekjes van karton? Wat mij een bijkomstig voordeel lijkt, is dat de ambtenaar van de burgerlijke stand waarschijnlijk geen verhaal zal houden. Het is natuurlijk goed bedoeld, maar toch vaak enigszins onbeholpen. Het begint altijd met een half uur durende geschiedenisles over het stadhuis, waarna er uitgebreid de aandacht wordt gevraagd voor het interessante moderne designplafond van de trouwzaal, waar de kunstenaar heeft gepoogd het begrip ‘eenheid’ te visualiseren. (De mensen die geen stoel hebben beginnen hier al een beetje te wiebelen.) Dan volgt het semipersoonlijke verhaal, met de ongemakkelijke faux pas in het opnoemen van aanwezigen (‘en wat heerlijk dat opa van de Hoogt erbij kan zijn. O, pardon, ik bedoel opa Polman. Opa van de Hoogt zit jammer genoeg thuis vanwege zijn rugproblemen. Ligt in het ziekenhuis. Is net overleden. Goed, verder verwelkom ik de moeder van de bruid…’) en het stuk waarin wordt voorgelezen hoe ze elkaar hebben ontmoet, wat ze toen van elkaar dachten en waarom ze van elkaar houden. Meestal is de ambtenaar een vrolijk type dat het verhaal doorspekt met jolige grapjes, maar op het laatst opeens een drie A4’tjes tellend gedicht tevoorschijn tovert, getiteld ‘Geven en Nemen’. Ik zou het liefste nu al beginnen met het bevrienden van een ambtenaar van de burgerlijke stand, zodat er straks wellicht iemand staat die me écht kent.

Als we afwachtend in het mooie zaaltje zitten, komt de ambtenaar aanlopen, heet ons hartelijk welkom en zegt: „Deze gezellige trouwzaal heeft een rijke historie, die begint met…”

Ik trouw gewoon in Vegas.