'Londen en kerk dekten dader aanslag'

De Britse regering, de Noord-Ierse politie en de Rooms-Katholieke Kerk in Ierland hebben samengespannen om de directe betrokkenheid van pater Jim Chesney bij een bomaanslag in Noord-Ierland in 1972 in de doofpot te stoppen.

Dat concludeert de ombudsman van de Noord-Ierse politie, Al Hutchinson. Hij rapporteerde gisteren over het onderzoek dat hij in 2002 startte naar de aanslag die dertig jaar eerder, op 31 juli 1972 in Claudy nabij Londonderry, aan negen mensen het leven had gekost.

De kerkleiding beschermde de pater, vermoedelijk het brein van de aanslag, op verzoek van de Britse regering en met medeweten van de RUC, destijds de politie van Noord-Ierland. De toenmalige minister voor Noord-Ierland, Willy Whitelaw, vreesde dat loyalistisch-protestantse paramilitairen „alle priesters in de provincie als vogelvrij zouden zien”, als de rol van de pater bekend zou worden.

In het sektarische geweld in Noord-Ierland vormde 1972 een dieptepunt, zowel door het optreden van Britse militairen (‘Bloody Sunday’, 30 januari, met 26 doden) als door aanslagen van de IRA. Het geweld kostte dat jaar aan bijna vijfhonderd mensen het leven.

Het huidige hoofd van de RK-kerk in Ierland, kardinaal Sean Brady, bood gisteren zijn excuses aan aan de families van de slachtoffers, vijf katholiek, vier protestant, van de aanslag. Hij verdedigde de rol van zijn voorganger, kardinaal William Conway, die „het beste heeft gemaakt van een heel moeilijke situatie. Hij deed wat hem gevraagd werd.”

Conway, net als alle andere betrokken autoriteiten inmiddels overleden, noemde pater Chesney blijkens het onderzoek, destijds „a very bad man”, maar hij plaatste hem uit Claudy over naar een parochie in de Republiek Ierland. Daarmee was hij buiten bereik van de Britse justitie.

In december 2002 bood de nieuwe politie van Noord-Ierland, de PSNI, al haar excuses aan voor het falen van de RUC destijds om actie te ondernemen op de inlichtingen die duidelijk wezen naar Chesney als operationeel aanvoerder van de IRA in het district Londonderry. De nabestaanden rouwen nog steeds over het uitblijven van gerechtigheid in deze zaak.

Het IRA-team plaatste drie bomauto’s in de hoofdstraat van het half-katholieke, half-protestantse gehucht Claudy. Een achtjarig meisje dat voor zakgeld de ramen van de winkel van haar ouders stond te zemen, keek naar de bommenlegger, die keek terug en wandelde weg. Een bomscherf doodde haar op slag. Ook acht andere passanten kwamen om.

De aanslag was een demonstratie van geweld op het moment dat het Britse leger een grote zuiveringsoperatie in Londonderry uitvoerde. De gebruikelijke waarschuwing vooraf – „er ligt een bom” – was niet doorgekomen. De telefoonlijnen waren beschadigd door een eerder IRA-explosief.