Lezen en schrijven

Op zes september begint de week van de alfabetisering. Dit wil zeggen dat met allerlei campagnes en evenementen zal worden geprobeerd de aandacht van het publiek te vestigen op het nationale feit dat in dit land anderhalf miljoen ‘laaggeletterden’ wonen. Dat zijn mensen die niet of nauwelijks kunnen lezen. Eenvoudige overheidsformulieren, bijsluiters, publieke waarschuwingen kunnen ze niet begrijpen. In de supermarkt laten ze zich bij hun keuze leiden door de plaatjes op de verpakking. Van deze anderhalf miljoen zijn een miljoen autochtoon en van hen weer een kwart totaal analfabeet. Een half miljoen allochtonen is laaggeletterd. Dat zijn de cijfers van dit jaar.

In 1996 bleek uit een onderzoek van het Max Goote Kenniscentrum dat er toen een miljoen functioneel analfabeten waren; wat nu laaggeletterd wordt genoemd. Dat er binnen een jaar of vijftien een half miljoen zijn bijgekomen, is geen wonder. Ook analfabeten trouwen, krijgen kinderen. Het milieu waarin ze opgroeien zal hun intellectuele nieuwsgierigheid niet stimuleren, om het zacht te zeggen. Onwetendheid is als een gletsjer die per generatie verder de maatschappij binnenschuift. Analfabetisme dat min of meer op zijn beloop wordt gelaten, is de grondslag voor een klassenmaatschappij.

Deze onderlaag wordt nu toenemend geïsoleerd naarmate de communicatie in de hogere regionen verder wordt gedigitaliseerd. Analfabeten hebben geen laptop; alleen televisie waarop ze naar de programma’s kijken die ze kunnen begrijpen. Veel zenders passen zich aan, in het bijzonder de commerciële, want dit publiek mag dan niet of gebrekkig kunnen lezen en schrijven maar het bestaat wel uit consumenten. Het uiteindelijk resultaat is een verplatting van het aanbod, waardoor het klasse-onderscheid wordt bevestigd. Hieruit verschijnt het zwartste perspectief: gaat de ontwikkeling op dezelfde manier verder, dan groeit uit het analfabetisme binnen een paar generaties een kastemaatschappij, waar de grondslag van de democratie, de fundamentele gelijkheid, onherstelbaar gesloopt zal zijn.

De verbreiding van internet betekent niet dat in de digitale bovenlagen ideale democratische verhoudingen zullen heersen. Het is waar: wat we aan het begin van deze eeuw de digitale snelweg noemden, heeft de vrijheid van meningsuiting op een toen nog onvoorstelbare manier bevorderd. Het wereldwijde web heeft een onafzienbare hoeveelheid informatie voor iedereen die met een laptop kan werken toegankelijk gemaakt. Bovendien kan iedereen laten weten wat hij van alles vindt. Nooit zijn zoveel mensen in staat geweest over zoveel zaken een zo groot publiek te laten weten wat ze ervan denken. Iedere dag wordt er bij wijze van spreken een paddestoelwolk van opinies de digitale wereld ingestuurd. Met Facebook en Hyves kun je desnoods duizenden vrienden maken. Internetkranten stellen je in de gelegenheid uit de onkwetsbaarheid van je anonimiteit de machtigsten ter wereld ongenadig uit te schelden. Met Twitter laat je in 140 tekens je diepste wijsheid van het moment weten.

Maar dit wil niet zeggen dat de gebruikers van al deze fantastische faciliteiten weten waar ze het over hebben. Om goed van de schatkamers van informatie gebruik te kunnen maken, moet je weten waar je moet zoeken en datgene te begrijpen wat je hebt gevonden. Dit alles vooronderstelt kennis van zaken die een mens nu eenmaal vergaart in een vooropleiding die toewijding, energie en jaren vergt. Daaraan ontbreekt het al diegenen voor wie de wetenschap van internet wel bereikbaar is, maar de inhoud abracadabra.

De formule die Menno ter Braak in 1937 in zijn Het nationaal-socialisme als rancuneleer gebruikte, heeft een nieuwe actualiteit gekregen. „Naarmate het bezit van cultuur meer als een recht wordt gevoeld, wordt de afstand die er bestaat tussen dat recht op alles en het bezit van weinig in de praktijk, meer beseft als een onrecht.” Degene die hier het slachtoffer is „kan het meerdere bezit van de ander niet verdragen. Het maakt hem hels, de ander bevoorrecht te zien. Hij wrokt omdat hij in de wrok althans de lust van de permanente ontevredenheid beleeft.”

Heeft de schijn van gelijkheid die door de verbreiding van internet is ontstaan deze wrok tot een eigentijds verschijnsel gemoderniseerd? Ligt hier de verklaring van de wijdverbreide haat tegen de ‘elite’, bestaande uit mensen die het dankzij hun opleiding en ervaring op een grote verscheidenheid van gebieden beter weten dan wat vroeger de ‘leek’ werd genoemd? Als van iemand nu gezegd wordt dat hij ‘tot de elite hoort’, is dat in negen van de tien gevallen een verdachtmaking. Elite is een scheldwoord geworden, niet alleen hier; ook in Amerikaanse populistische kringen. ‘Linkse elite’, nog erger – terwijl toch president George W. Bush, de neoconservatieven en de bankiers aan de wortel van onze tegenwoordige problemen hebben gestaan.

De agressie van de verongelijkten gaat verder. Mensen die geestelijk tot het nieuwe lompenproletariaat horen, keren zich tegen personeel van de ambulance, het openbaar vervoer, de politie. Er groeit een nieuwe revolutionaire klasse die op zichzelf weer in allerlei geledingen verdeeld is, maar die hebben stuk voor stuk één eigenschap gemeen: ze weigeren gezag dat op deskundigheid gebaseerd is. De diepste oorzaak daarvan is de haat van de weinig tot niets-weters tegen degenen die in kennis superieur zijn. En deze nieuwe revolutionairen zijn weer het product van het verwaarlozen van, het experimenteren, het gehannes met het degelijk onderwijs. Dat verval is tientallen jaren geleden begonnen. Nu krijgen we de week van de alfabetisering. Dat tekent de situatie.

Reageren kan op nrc.nl/hofland. Vermeld altijd uw naam. (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)