Joodse façade tussen muggen en moerassen

Er staat een menora op de bakkersbus, er is een koosjere kruidenier, plaatsaanduidingen zijn in het Jiddisch, maar joden wonen er nauwelijks nog in Birobidzjan.

„We hebben geen rabbijn meer”, klaagt de bejaarde Vladilen Vengerov in het gebouw van joods maatschappelijk centrum Freud in de Leninstraat van Birobidzjan. „Hij is negen maanden geleden naar Israël verhuisd, omdat zijn kinderen naar school moesten. En de nieuwe had allang hier moeten zijn. We hebben nu alleen nog een jongen die Hebreeuws kent en de gebeden in de synagoge voorleest.”

Het wachten op de rabbijn die maar niet komt, zegt alles over de Joodse Autonome Provincie Birobidzjan in het Russische Verre Oosten. Want de joodse minderheidsbevolking slinkt er gestaag, al doet het provinciebestuur zijn best om het joodse imago van de streek te bevorderen. Bakkersbusjes rijden met een menora in hun logo door de armoedige en vervallen straten, hun firmanaam is in Jiddische letters gespeld. Kruidenierswinkeltjes hebben koosjere afdelingen, waar vooral niet-joodse klanten hun brood halen. Op het dak van het station staat de naam van de stad in zowel cyrillische als Jiddische letters en op het stationsplein pronkt een enorme joodse kandelaar in een fontein. En dan is er ook nog de Sjtern, een krant die op woensdag en vrijdag verschijnt en eens per week twee pagina’s in het Jiddisch heeft. Maar ondanks die openbare manifestatie van joods en Jiddisch is Birobidzjan niet meer dan de façade van een romantisch ideaal.

„Onze gemeenschap telt nog maar tweeduizend leden”, zegt Freud-voorzitter Roman Leder in zijn kantoor. „Driehonderd van hen krijgen maandelijks gratis voedsel van onze organisatie, honderdvijftig ontvangen gratis medicijnen, zestig komen hierheen voor medische hulp en vijftig kinderen uit ontwrichte gezinnen voor gratis leerboeken en eten.”

Het geld komt vooral van de Amerikaans-joodse hulporganisatie Joint, die ook voor het in 2004 geopende nieuwe Freud-gebouw en de synagoge heeft betaald, meldt Leder trots. Maar eigenlijk was het toen te laat, omdat veel Birobidzjaanse joden het moeras- en muggenlandschap al vaarwel hadden gezegd. „Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1992 emigreerden zo’n twaalfduizend van onze joden naar Israël”, zegt Leder. „De jongeren kregen daar na het vervullen van hun dienstplicht een beter leven dan ze hier ooit zouden kunnen hebben.”

In het historisch museum, naast het Freud-gebouw en de synagoge, geeft wetenschappelijk medewerker Jevgenia Grisjoegina een zo mooi mogelijk beeld van het verleden. „Tot de oprichting van Birobidzjan mochten joden in Rusland geen land bezitten”, vertelt ze voor een vitrine met een oude viool, twee notenkrakers, een sleutelbos en drie verteerde handtasjes. „Maar hier kregen ze het recht om kolchozen te stichten en een eigen stukje grond te hebben. Joodse kolonisten kwamen zelfs uit New York en Argentinië. Behalve arbeiders en boeren waren het artsen, leraren en intellectuelen. En als ze er hier niets aan vonden, konden ze gewoon terugkeren.”

Zes bejaarde mannen met keppeltjes op spelen de volgende ochtend in de gebedszaal van de nieuwe synagoge domino. Zodra het over hun joodse provincie gaat, laten ze hun stenen omvallen. „Eind jaren veertig kon je vrijwel geen werk vinden in Wit-Rusland en Oekraïne”, vertelt de 82-jarige Sjejker Sloetski. „De joodse gemeenschappen waren er volledig verwoest. Aangestoken door de propaganda trokken onze ouders naar Birobidzjan. Daar was genoeg werk, maar er waren ook meer dan genoeg moerassen en muggen.” En dan vertelt hij iets wat niet strookt met het sprookje van museummedewerker Grisjoegina. „Eenmaal hier, werden onze paspoorten in beslag genomen, zodat we niet terug konden keren naar onze geboorteplaats.”

De mannen halen hun schouders op over de teloorgang van het joodse Birobidzjan, waar in de jaren negentig twee van de drie fabrieken dichtgingen. Volgens de 78-jarige Leonid Goetkin wonen er nog zo’n duizend joden in de provincie. „Onze kinderen zijn voor het overgrote deel weggetrokken naar Israël. En dat is goed, want daar hebben ze een joodse regering. Zelf ben ik daar ook geweest, ik heb er zelfs een huis.”

Toch is Goetkin teruggekeerd, na al die jaren was hij gewend aan Birobidzjan. „Bij ons in het dorp was iedereen besneden”, vertelt hij. „Mijn ouders aten nooit varkensvlees. Maar de wereld is veranderd en een varkenskotelet gaat er bij ons nu goed in.”

Dan komt de 32-jarige Vitali Tsjernomas binnen, die in een nis bij de oostelijke muur gaat staan. Als de mannen hun gebedskleden hebben omgeslagen, leest hij in een vaag gewauwel, dat enigszins op Hebreeuws lijkt, een tekst voor. De zes mannen, die inmiddels gezelschap van vijf anderen hebben gekregen, staren naar een stencil met een transcriptie in het cyrillisch en mompelen af en toe: „Baroech Adonai.” Halverwege de dienst legt de 71-jarige Grigori Gelfand zijn keppeltje en gebedskleed weg en staat op. „Ik moet mijn pensioen ophalen”, fluistert hij verontschuldigend tegen zijn makkers, die al bijna zijn ingedut.

Aan het andere eind van de stad leest even later in een bouwvallige lichtblauwe hut met davidsterren op de muur de 45-jarige orthodoxe rabbijn Andrej Loekatski de Torah met zijn assistent Efin Loetski. Gelovigen zijn er die ochtend niet, al telt Loekatski’s ultraorthodoxe gemeente driehonderd leden. „We hebben geen geld om het lekkende dak te repareren”, zegt hij. „En van de Joint krijgen we maar 300 dollar per maand om de gas- en lichtrekening van te betalen.”

Loekatski werd als kind Russisch-orthodox gedoopt en keerde op latere leeftijd terug naar zijn joodse wortels. Zijn voorganger vertrok vorig jaar naar Israël.

In de Leninstraat is de dienst inmiddels afgelopen. Leonid Goetkin gaat naar huis. „En toch blijft het jammer dat er geen rabbijn naar onze synagoge wil komen”, zegt hij. „Maar gelukkig studeert nu een van onze jongens in Moskou aan de rabbijnenopleiding. Onze hoop is op hem gevestigd.”