In de rolstoel

Voor het eerst zag ik mijn buurman buiten met zijn zoontje. Die buurman is gehandicapt, hij kan zich alleen per rolstoel verplaatsen. Het zoontje deed iets wat ik hem nog niet eerder zag doen en wat zijn vader nooit zal kunnen: lopen.

Dat was al een mooi gezicht – zoon lopend naast rolstoelrijdende pa – maar het werd nog mooier toen de vader met één machtige greep van zijn sterke armen zijn kind oppakte, op zijn knieën zette en naar de rand van de gracht reed om samen met hem van de bootjes op het water te genieten.

De laatste tijd let ik veel beter op rolstoelgebruikers dan vroeger. De kracht en vaardigheid waarmee ze hun karretje besturen, de vastberadenheid waarmee ze besloten hebben zich niet klein te laten krijgen – het is vaak indrukwekkend.

Mijn aandacht voor de rolstoelgebruiker heb ik te danken aan Andre Dubus (spreek uit: Doebjoes), een Amerikaanse schrijver (1936-1999) van vooral korte realistische verhalen. Vaak prachtig werk, geschreven in een lyrische, sensitieve stijl. Pas toen ik al een aantal van zijn verhalen gelezen had en me in zijn persoonlijke geschiedenis verdiepte, ontdekte ik door welk noodlot hij in 1986 – 49 jaar oud – getroffen was.

Op 23 juli van dat jaar, toen hij op weg was naar zijn huis in Haverhill, Massachusetts, stopte hij om twee automobilisten, een man en een vrouw, die met een defecte auto langs de kant van de weg stonden, te helpen. Een naderende automobilist zag hen te laat en raakte hen. De man was op slag dood, maar Dubus kon de vrouw nog net op tijd wegduwen voor hij zelf zwaar gewond raakte. Een been moest worden geamputeerd, het andere been bleef de rest van zijn leven vrijwel verlamd.

Dubus, een man die dol was op fysieke krachtsinspanningen, zoals hardlopen, was voortaan veroordeeld tot de rolstoel. Wat betekent dat voor iemand? Hij heeft daar in 1998 een aantal schitterende korte stukken over geschreven in zijn bundel Meditations from a Movable Chair. Hij beschrijft de diepe wanhoop die hem bij perioden overviel, maar ook de manier waarop hij zich uit zijn inzinkingen vocht, mede geholpen door zijn katholieke geloof waarover hij nooit hinderlijk vroom doet.

Dubus, in kleine kring een gevierd schrijver met bevriende collega’s als Richard Yates, Tobias Wolff en Kurt Vonnegut, was in gezelschap opeens een soort paria geworden. Hem valt op dat vooral goed opgeleide mannen zich geen raad met hem weten. Vrouwen (hij prijst met name de Noorse actrice Liv Ullmann) zijn doorgaans behulpzaam en belangstellend, arbeiders ook, maar de intellectuele mannen zien hem letterlijk en figuurlijk over het hoofd. „Zij tonen zich niet zozeer ongevoelig alswel slecht op hun gemak.”

Het mooiste verhaal is Witness, waarin Dubus jaren na het ongeluk een vrouw ontmoet die getuige is geweest van het ongeluk. Hij wil haar van alles vragen, maar er komt iets tussen en ze moet weg. Daarna wil hij het zelf niet meer, hij beseft dat de beelden die zij kan oproepen hem kapot kunnen maken. Hij stort nu al bijna in, terwijl er in zijn hart een storm opsteekt.

„For ten days, I woke and lived with this storm, and with the rain were demons that always come on a bad wind; loneliness, mortality, legs. Then it was gone, as any storm.”