Bom onder vrede Noord-Ierland

De Noord-Ieren zijn de laatste tijd weer opgeschrikt door aanslagen.

„Het aantal dissidente republikeinen neemt toe. En ze worden professioneler.”

„Gelukkig hoefden we de steenhouwer niet te laten komen, dit keer.” Hoofdinspecteur Sam Cordner van de Police Service Northern Ireland (PSNI) gebaart naar het muurtableau voor gesneuvelde politiemensen, goud op zwart marmer, in de hal van zijn politiebureau.

Newry ligt direct aan de grens met de Republiek Ierland, traditioneel ‘bandit country’. Vanwege de smokkel, maar ook vanwege de mogelijkheden die de omgeving biedt om gemakkelijk van en naar de Republiek over te steken. Als ergens de vruchten van het ‘vredesproces’ in Noord-Ierland geplukt zouden moeten zijn, dan wel hier.

Op het eerste gezicht lijkt dat ook te zijn gebeurd. Het Britse leger staart niet meer vanuit wachttorens naar het komen en gaan van burgers; soldaten zijn niet langer op straat; de door nationalisten gehate Royal Ulster Constabulary (RUC) in groen semi-legeruniform is ontmanteld en vervangen door een normale politiedienst; en de Britse provincie heeft zelfbestuur waarin loyalisten/protestanten en nationalisten/ katholieken sinds 2007 in redelijke harmonie samenwerken.

En toch: de steenhouwer had vorige week bijna opnieuw moeten uitrukken. In 2010 zijn in Noord-Ierland meer gewelddadige aanslagen op werknemers van de Britse overheid gepleegd dan in de vijf jaar ervoor.

Dissidente republikeinen, verenigd in groeperingen als Continuity IRA, Real IRA of de koepelorganisatie Oglaigh nah Eireann (Vrijwilligers van Ierland), zijn zo gevaarlijk dat politie en politici waarschuwen: het is een kwestie van tijd voor iemand erin slaagt een spectacular te ensceneren.

Lurgan, waar vorige week een bom ontplofte die niet de politie, maar wel drie spelende kinderen verwondde, was in potentie zo’n ‘spectacular’. De conferentie van de Conservative Party van premier David Cameron, die over een maand in Birmingham is, zou ook zo’n doelwit zijn.

Hoe de politie dat weet? Sam Cordner: „De bommen langs de weg, de aanvallen op politiebureaus en op individuele agenten, álles wijst op het opschroeven van de activiteiten. De ervaring met de Provisional IRA in het verleden leert dat deze mensen hun achterban willen laten zien wat ze kunnen en waarmee ze wegkomen.”

Elke regio, elke wat grotere plaats in Noord-Ierland heeft in de afgelopen maanden zijn portie geweld van dissidente republikeinen gehad: de bom van 80 kilo voor het politiebureau in Londonderry, de bom voor de rechtbank in Newry, de autobom voor het gebouw van de geheime dienst MI5 in Belfast en de vuilnisbakbom in Lurgan. Die had de potentie om „een tweede Omagh” (1998, 29 doden) te worden, omdat de daders de politie er welbewust op af stuurden.

Om tactische redenen wil Cordner niet zeggen om hoeveel dissidenten het gaat. Hij wijst erop dat de samenwerking met de politie in de Republiek Ierland tegenwoordig zo hecht is, dat veel aanslagen verijdeld en verdachten gearresteerd kunnen worden. De cijfers: dit jaar al 155 arrestaties en 46 aangeklaagden aan weerszijden van de grens, tegenover 108 respectievelijk 17 in heel 2009.

Cordner beaamt wel dat het aantal dissidenten toeneemt en dat hun middelen professioneler worden. „Of we weten wie we moeten hebben? Sommigen zijn overgelopen van de provo’s [Provisional IRA, die formeel de wapens heeft neergelegd, red.], maar anderen zijn van een nieuwe, jonge generatie.

Die kunnen we alleen in het oog houden als de bevolking hier ons helpt. Maar het is niet gemakkelijk. Nee, mijn kinderen zou ik nog steeds niet aan hun vriendjes laten vertellen dat ik bij de politie werk. Nee, de meesten van mijn mensen wonen niet in deze buurt. We rijden nog steeds rond in gepantserde voertuigen. En we patrouilleren nog steeds in kogelwerende uitrusting met halfautomatische pistolen in de aanslag.”

In Kilkeel, niet ver van Newry, ontsnapten op 7 augustus een politieagente en haar 7-jarig dochtertje aan de dood toen op de oprit voor haar huis een bom van onder haar auto op straat rolde. Anderen hadden minder geluk, zoals de politieman in Antrim die in januari door zo’n explosief een been verloor. „De mijnopruimingsdienst moet hier elke dag wel een of meer keren uitrukken”, zegt Cordner.

De politici maken zich zorgen over de kwaliteit van de informatie waarover de politie beschikt. Vóór de Royal Ulster Constabulary werd omgevormd tot de PSNI had elk korps zijn eigen inlichtingendienst. Sinn Féin bedong dat dat zou worden afgeschaft. De special branch had in een aantal gevallen onder een hoedje gespeeld met loyalistische paramilitairen om op die manier diegenen uit de weg te laten ruimen die de RUC op legale wijze niet kon pakken.

Nu wordt het inlichtingenwerk centraal gedaan in Belfast, door de Britse binnenlandse inlichtingendienst MI5. Maar die verandering is geen verbetering, zeggen bronnen binnen de PSNI. Veel kennis en contacten zijn door de overdracht verloren gegaan. Een bron haalt een hoge PSNI-officier aan: „Als die dissidenten wisten wat wij allemaal níét weten, dan zouden ze nog veel brutaler optreden”.

De aanvoerder van de nationalistische Labour Party (SDLP), Margaret Ritchie, gooide na de miraculeuze afloop van de aanslag in Lurgan de knuppel in het hoenderhok: MI5 is niet opgewassen tegen de taak, gezien het toenemend geweld. Het inlichtingenwerk moet terug naar de politie.

Dominic Bradley, Labours woordvoerder voor politie en vertegenwoordiger voor Newry en Armagh in het zelfbestuur van Noord-Ierland, zegt dat ook jongeren zich aangetrokken voelen tot de dissidenten. In hun ogen heeft de generatie van Sinn Féin-leiders als Gerry Adams en Martin McGuinness zich „uitgeleverd” en dus haar moreel gezag verloren. Oude mannen, machteloos, zoals bleek bij de rellen van juli in de wijk Ardoyne in Belfast, de ernstigste in jaren.

In de kranten in Newry is er alle aandacht voor een oom van de agente uit Kilkeel die bijna werd opgeblazen. De oom is ex-Sinn Féin en nu onafhankelijk lid van de gemeenteraad. Hem was gevraagd de aanslag op zijn nicht te veroordelen. Dit was zijn antwoord: „Ik begeef me niet in de politiek van de veroordeling. Die heeft in het verleden geen goeds gebracht en die zal het in de toekomst ook niet doen”.

Cordner, gevraagd wat hij daarvan vindt: „Ik geloof niet in stilstaan bij wat er is gebeurd. Ik ben een optimist én een realist. Die nieuwe realiteit moet ik verkopen, al is dat weleens moeilijk voor degenen met wie ik 26 jaar heb gediend.”