'Amsterdams geld mag niet naar regering-Bouterse'

Amsterdam stopt met hulp aan Suriname. Burgemeester Van der Laan: „Het is nu wel van belang in de hele stad uit te leggen waarom wij deze stap gezet hebben.”

Het buitenlands beleid van de gemeente Amsterdam druist in tegen dat van het Rijk, als het om Suriname gaat. Het kabinet wil een zakelijke relatie met het regime-Bouterse onderhouden en lopende samenwerkingsprojecten voortzetten. Maar het Amsterdamse college van B en W heeft gisteren besloten om alle ontwikkelingssamenwerkingsprojecten waar de regering van president Desi Bouterse bij betrokken is, te staken. Bouterse is in Nederland veroordeeld voor drugshandel, en in Suriname loopt een proces tegen hem voor de zogeheten Decembermoorden.

Burgemeester Eberhard van der Laan (PvdA), verantwoordelijk voor het buitenlands beleid van de gemeente, rekent op „respect” vanuit Den Haag voor dat besluit: „Vooralsnog stuit ons standpunt ook niet op een muur van verzet in Den Haag.” In Het Parool zegt Boutserses coalitiepartner Ronnie Brunswijk dat het besluit van Amsterdam een grote fout is, omdat „het Surinaamse volk niet zonder” de hulp uit Amsterdam kan.

Hoeveel ruimte heeft Amsterdam voor ‘eigen’ buitenlands beleid?

Van der Laan: „We hebben onze eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden zorgvuldig vastgesteld en onze eigen inschatting gemaakt. Projecten die op afstand staan van de Surinaamse overheid of die een humanitair karakter hebben, stoppen we voorlopig niet. De overige projecten wel. Omdat wij het niet verantwoord vinden dat er Amsterdams geld richting de regering-Bouterse gaat. We gaan het overleg aan met onze partners in Den Haag over de toekomst van projecten die we gezamenlijk doen. Dan zullen we ook duidelijk maken hoe wij daarover denken.

„Over dit besluit is trouwens al overleg geweest met het Rijk. Juist omdat ons besluit om te stoppen met de meeste projecten nogal wat betekent voor de ontwikkelingssamenwerking met Suriname. We hebben de afgelopen jaren weliswaar geen grote bedragen beschikbaar gesteld, maar wel op aanzienlijke schaal ambtelijke expertise.”

Minister Hirsch Ballin (Justitie en Binnenlandse Zaken, CDA) liet vorige week weten dat hij het besluit van korpschef Welten zou terugdraaien om politiesamenwerking met Suriname te staken.

„Weltens besluit had ook mijn instemming. Maar de politie valt onder het Rijk. Wij hebben andere verantwoordelijkheden. Het gaat om eigen Amsterdamse projecten die we zelf financieren. En we werken ook samen met meer partners dan alleen die uit het Haagse circuit.

„Zoals de Surinaamse gemeenschap zelf en hun organisaties. De helft van de Surinaamse bevolking woont in Nederland, een belangrijk deel daarvan woont in Amsterdam. Mensen bij wie de gebeurtenissen van 28 jaar geleden [de Decembermoorden, red.] diepe wonden hebben geslagen die nog niet zijn geheeld. Die mensen kijken indringend naar de stappen die het stadsbestuur nu zet.”

Maar een belangrijk deel van de Surinaamse gemeenschap oordeelt aanzienlijk milder over Bouterse dan de politiek hier in Nederland.

„Ik weet dat de Surinaamse gemeenschap daar verdeeld over is. Met name de jongere generatie is milder over Bouterse. Ik weet niet hoe dat komt. Zij hebben bijvoorbeeld die Decembermoorden zelf niet meegemaakt, maar weten ervan vanuit overlevering, de verhalen. Misschien is dat de verklaring voor hun opstelling.

„Maar het is nu wel van belang in de hele stad uit te leggen waarom wij deze stap gezet hebben. Overleg met die Surinaamse gemeenschap heeft er overigens toe geleid dat niet alle projecten worden stopgezet. Uit humanitaire overwegingen. Zo blijft Amsterdam in veertien projecten op het gebied van gezondheidszorg, cultuur, woningbouw en drinkwatervoorziening. Omdat de Surinaamse gemeenschap had verteld hoe belangrijk die projecten voor de mensen daar zijn.”

Die ontwikkelingssamenwerking liep voornamelijk langs de ambtelijke lijn. Hoe denken ambtenaren over het stopzetten van de ontwikkelingshulp?

„We detacheren geen ambtenaren meer in Suriname. Werkbezoeken over en weer vinden niet meer plaats. Dat geldt ook voor de stadsbestuurders. Maar er is nog wel ruimte voor informeel ambtelijk overleg. Want er is in de loop der jaren een intensief netwerk opgebouwd. ‘Moet ik dan nu de hoorn op de haak gooien als er gebeld wordt’, was de vraag. Nee, dat hoeft dus niet. Zo rigide willen we het niet doen. We willen realistisch met de nieuwe situatie omgaan. Want het is ook niet de bedoeling dat we met de rug naar Suriname staan.”