Aftocht Jan Soldaat

Juist door zijn militaristische verleden hecht Duitsland aan de dienstplicht. In de naoorlogse Bondsrepubliek is de dienstplicht sinds de oprichting van de Bundeswehr in 1955 altijd gezien als een tweesnijdend zwaard: de jongens die daadwerkelijk soldaat worden, voorkomen dat het leger zich onttrekt aan democratische controle en een parallelle staatsmacht kan worden; de weigeraars die alternatief voldoen aan hun dienstplicht, bijvoorbeeld in zorginstellingen, vervullen een nuttige maatschappelijke taak.

Daarom heeft minister Zu Guttenberg (Defensie) voor opwinding gezorgd met zijn plan de dienstplicht op te schorten. Maandag heeft de christen-democraat zijn ideeën in de Bondsdag gepresenteerd. Kanselier Merkel steunt hem. De meeste reacties, ook binnen de krijgsmacht, zijn sceptisch.

De argumenten van Zu Guttenberg komen bekend voor in Nederland, dat in 1997 de opkomstplicht heeft opgeschort. Sinds het einde van de Koude Oorlog is de verdediging van het nationale grondgebied geen hoofdzaak meer. De krijgsmacht heeft de taak gekregen om de internationale rechtsorde te beschermen. Die opdracht is grensoverschrijdend en niet uitvoerbaar door dienstplichtigen, die niet onvrijwillig naar het buitenland kunnen worden gestuurd. Bovendien is oorlogsvoering nu zo geavanceerd dat het onderhouden van een laaggekwalificeerd dienstplichtigenleger te duur is.

Dat er minder binnenlandse onrust ontstaat als er doden vallen bij buitenlandse missies, is een bijkomstigheid die bijna nooit openlijk uitgesproken wordt, maar wel een rol speelt.

Het is dan ook geen toeval dat in Europa alleen nog dienstplicht bestaat in Rusland, Oekraïne en enkele Scandinavische en Balkanlanden. En zelfs daar leven plannen om ermee stoppen.

Zu Guttenberg zal zijn beleid vermoedelijk kunnen realiseren. Duitsland krijgt dan een beroepsleger van uiteindelijk 180.000 soldaten. De minister hoopt zo te voldoen aan zijn bezuinigingsopdracht en tegelijkertijd in staat te zijn meer troepen op missie te sturen dan de maximaal 7.000 à 8.000 man die hij daarvoor momenteel ter beschikking heeft.

Maar daarmee is de discussie in Duitsland niet gesloten. Op dit moment vervult maar 16 procent van de jongens zijn dienstplicht. De rest doet vervangend werk of is vrijgesteld, een privilege dat tijdens de Duitse deling alle jongeren in West-Berlijn hadden en dat toen werkte als een magneet om vanuit de Bondsrepubliek naar deze stad te verhuizen.

Het wegvallen van alternatieve dienstplicht kan veel nonprofitinstellingen in personeelsproblemen brengen. Net als het leger kunnen ook zij op de arbeidsmarkt wellicht niet concurreren met Siemens of Volkswagen. Bovendien komt er dan een einde aan de maatschappelijke ‘disciplinering’ die in Duitsland aan de dienstplicht wordt toegeschreven.

Ook in Nederland leeft het idee dat een vorm van sociale dienstplicht bevorderlijk is voor de socialisering van de jeugd in een steeds heterogenere maatschappij. Daarom moet het debat te Berlijn ook in Den Haag worden gevolgd.