Singapore wordt wat losser, gokken mag nu zelfs

Casino’s moeten Singapore tot de bruisende, hippe stad maken die de leiders voor ogen hebben.

Maar nog altijd censureert het land veel cultuuruitingen.

De meeste Singaporezen in het Marina Bay Sands-casino zitten er niet voor de gezelligheid, maar om te winnen. Hun gezichten staan strak, ze praten nauwelijks. Een jongeman loopt tussen twee dobbeltafels heen en weer om vaker te kunnen inzetten. Een ouder echtpaar beent zwijgend weg als het honderden dollars heeft verloren. Hoewel roken in bars elders in de stad een fikse boete oplevert, staat het hier blauw.

Sinds begin dit jaar hoeven Singaporezen niet meer naar Maleisië of Macau om te gokken. In februari opende het eerste megacasino op vakantie-eiland Sentosa, Marina Bay Sands ging in april open. Maar het blijft Singapore. Grote borden in het casino kondigen hoge boetes aan voor iedereen onder de 21 jaar. Voor toeristen is toegang gratis, maar Singaporezen zelf moeten omgerekend 56 euro neertellen. Zo’n 30.000 mensen die bankroet zijn, bijstand ontvangen of door hun familie als probleemgokker zijn aangemerkt, mogen helemaal niet naar binnen.

De nieuwe casino’s betekenen voor de ‘nanny-staat’ een balanceeract tussen economische voorspoed en moreel verval. Toen premier Lee Hsien Loong in 2004 voor het eerst de mogelijkheid van een casino noemde, was gokken nog strikt verboden. Men vreesde dat de hardwerkende natie ten prooi zou vallen aan gokverslaving. Maar ook Singapore moest met zijn tijd mee, besloot de People’s Action Party die het land sinds de onafhankelijkheid regeert. Casino’s zouden banen scheppen, geld binnenhalen en toeristen trekken.

Bovendien zijn de casino’s nodig om Singapore tot de bruisende, hippe en spannende stad te maken die de leiders voor ogen hebben. Eind jaren negentig ontstond het idee dat de stadsstaat het in de toekomst moest hebben van hightech en creatieve bedrijven; concurreren met lagelonenlanden lukte niet meer. Maar de creatieve klasse wil wonen in een stad waar meer te doen is dan winkelen en eten, wat tot dan toe de nationale hobby’s waren.

Dus begon de regering te investeren in cultuur en vermaak: ze bouwde een spectaculair muziektheater in de vorm van een doerianvrucht, het oude parlement veranderde in een kunsthal, een nieuw museum voor kunst en wetenschap is in aanbouw. En de casino’s. „Die maakten deel uit van hetzelfde idee dat Singapore geen culturele woestijn moest blijven”, zegt sociale wetenschapper Kenneth Paul Tan van de Lee Kuan Yew School of Public Policy. „Het was een reden dat mensen hier niet wilden wonen. De casino’s waren bedoeld om wat sjeu te geven.”

In het begin was de kritiek dat de regering alleen omkeek naar de ‘hardware’. Het geld ging naar nieuwe gebouwen en niet naar kunstenaars. Alleen grote internationale shows konden het zich veroorloven om in het nieuwe muziektheater op te treden, lokale kunstenaars hadden het nakijken. Inmiddels is dat veranderd en zijn er stimuleringsprogramma’s voor jonge artiesten.

In het kader van het kosmopolitische imago versoepelde Singapore zelfs enkele regels. Sinds begin deze eeuw is het toegestaan om te bungeejumpen en op tafel te dansen. Het verbod op televisieserie Sex and the City werd opgeheven, al wordt het bloot eruit geknipt. Maar nog altijd censureert het land talloze cultuuruitingen die raken aan gevoelige thema’s als politiek, religie, etniciteit of homoseksualiteit. Vorige week werd nog een Britse schrijver in de cel gegooid omdat hij een boek had geschreven over de doodstraf.

In het huis van kunstenaar Lee Wen staat een roze geverfd doek vol geplakt met kauwgum: ook verboden in Singapore. Hij had het schilderij in een museum gehangen met een bak kauwgum ernaast, met de bedoeling dat bezoekers hun uitgekauwde gom op het doek plakten. „Deze heeft in Sydney gehangen, bezoekers waren daar heel enthousiast. Maar in Singapore bleef het doek bijna leeg”, zegt Lee. Durfden de Singaporezen niet? Hadden ze zoveel respect voor kunst dat ze er geen kauwgum op wilden plakken? Of staken ze het snoepgoed liever in hun zak om lekker thuis op te eten?

Lee hoort bij de groep kunstenaars die pleit voor regulering in plaats van censuur van kunst. Het zou een compromis zijn, zodat ‘gewaagde’ voorstellingen wel mogen, maar bijvoorbeeld alleen in een bepaald theater. Bezoekers die aanstoot nemen aan zoenende mannen of expliciete taal weten dan dat ze moeten wegblijven. „Maar het is moeilijk om kunstenaars aan boord te krijgen”, zegt Lee. „Er is nu veel meer financiële steun voor ze, dus ze zijn blij. En misschien ook wat zelfvoldaan.”

Voor de regering lijkt de halfslachtige omarming van kunst en casino’s voldoende om haar doel te bereiken. Singapore staat steeds hoger in ranglijsten van beste steden om te wonen, zegt wetenschapper Tan. Buitenlanders strijken er neer in groten getale en er zijn veel aanvragen voor de Singaporese nationaliteit. „Toen de regering tien jaar geleden probeerde om buitenlands talent en toeristen te trekken, lukte dat niet zo. Het lijkt erop dat Singapore sindsdien veel aantrekkelijker is geworden.”