Japan moet niet meer stimuleren

Japan heeft zijn plaats als tweede economie van de wereld verloren aan China. Maar dat is niet zo erg. Omdat China tien maal zoveel inwoners heeft, is de gemiddelde Japanner tien maal zo rijk als de gemiddelde Chinees. Hoewel Japan moeite heeft te groeien, blijft het land welvarend, met een werkloosheid die de helft bedraagt van het niveau in de Verenigde Staten en de eurozone. Het uitblijven van een acute crisis helpt verklaren waarom Japan de gevolgen van de twintig jaar geleden gebarsten vastgoedzeepbel nog steeds niet van zich kan afschudden.

Met een groei van slechts 0,1 procent in het tweede kwartaal eisen politici van de regeringscoalitie een forse verhoging van de overheidsuitgaven van 11.000 miljard yen (103 miljard euro), wat overeenkomt met ongeveer 2,5 procent van het Japanse bruto binnenlands product (bbp). Discussies tussen premier Naoto Kan en gouverneur Masaaki Shirakawa van de Japanse centrale bank hebben de speculaties gevoed.

Maar het begrotingstekort stevent dit jaar al af op 7 procent van het bbp. En de enorme stimuleringsuitgaven uit het verleden komen duidelijk naar voren in de hoogte van de staatsschuld, nu bijna twee maal het bbp. De karige rendementen op staatsobligaties houden deze last dragelijk, maar ze zouden op een dag kunnen gaan stijgen, waardoor het tekort kan gaan oplopen. Kan zal waarschijnlijk behoedzaam zijn, maar hij zou een stimuleringspakket van 1.700 miljard yen (16 miljard euro) kunnen aanbieden om zijn critici de mond te snoeren.

De sterke yen, die tegenover de dollar momenteel op het hoogste punt sinds vijftien jaar staat, is een ander probleem, vooral voor de exporteurs. Maar het lijkt onwaarschijnlijk dat de centrale bank zal interveniëren, tenzij de yen op 80 yen per dollar of lager uitkomt, terwijl dat nu nog 85 yen per dollar is. Interventie zou steun vergen van de Federal Reserve, en wellicht van andere centrale banken. Maar de Fed maakt zich meer zorgen over de groeivooruitzichten van de VS zelf.

De huidige politieke druk zou kunnen leiden tot iets meer monetaire versoepeling. De centrale bank zou de banken leningen met een vaste rente en een looptijd van zes maanden kunnen aanbieden, langer dan de huidige drie maanden. Maar het moeilijk om daar meer in te zien dan een symbolisch gebaar. Gelijktijdige begrotingsstappen zouden moeten helpen, maar slechts voor korte tijd.

Bovendien doet de economie het zo slecht nog niet. Het bbp was in het tweede kwartaal 2 procent hoger dan in dezelfde periode een jaar geleden - beter dan in Engeland. Het jaarlijkse groeitempo van 2,9 procent van de brede geldvoorraad is niet slechter dan in andere grote economieën. De grote les van Japan is dat niet alle problemen kunnen worden opgelost met monetaire of fiscale beleidsinstrumenten. Sommige economen wijten de malaise aan een paternalistische bedrijfscultuur of aan de langdurige erfenis van de gebarsten vastgoedzeepbel in het financiële systeem van het land.

Toch voelt de malaise betrekkelijk comfortabel aan: Japan is welvarend, heeft een lage werkloosheid, maar is wel afhankelijk van vraag elders in de wereld. Het zou kunnen dat het land pas de diepere oorzaken van de lage groei zal aanpakken als een pijnlijker crisis wordt bereikt. Nog meer stimuleringsmaatregelen die toch niet werken, zijn niet het antwoord.