Hij noemde een fascist fascist

Het fascisme is niet dood en de fascisten zijn onuitroeibaar. Deze apodictische stelling is typerend voor het leven en werk van de verzetsman, schrijver, dichter en criminoloog prof. Willem Nagel (1910-1983), pseudoniem J.B. Charles. Morgen, op zijn honderdste geboortedag, verschijnt zijn biografie Het spoor terug, geschreven door socioloog en jurist Kees Schuyt. Ook wordt bij die gelegenheid een symposium gewijd aan Nagel/Charles.

Tijdens de jaren vijftig en zestig, in de gepolariseerde wereld van de Koude Oorlog, schreef J.B. Charles invloedrijke essays, gebundeld in de boze boeken Volg het spoor terug en Van het kleine koude front. Vestdijk noemde hem „de vorm geworden stem van het geweten”. Met protesten tegen voormalige Duitse nazi-generaals die weer hoog te paard zaten in de NAVO en zijn keuze voor de ‘derde weg’ in het Oost-West-conflict kwam hij, de fervente fascistenhater, gevormd door het verzet, lijnrecht tegenover de gevestigde orde te staan. Die werd gepersonifieerd door minister Luns van de Katholieke Volkspartij, de ‘Hese Hufter’.

Voor Charles/Nagel waren fascisme en het kwaad synoniem. Een gesprek met een fascist kon volgens hem geen zin hebben, omdat deze „zijn toevallige ras superieur of eens anders godsdienst minderwaardig waant, en voor zijn sociale groep of zijn natie wil behouden of wenst te verkrijgen wat alle levende mensen samen toebehoort”. Schuyt, de biograaf, brengt daartegen in dat dit een te gemakkelijk fascismebeeld is. Het berust niet op een analyse van massabewegingen en veegt te veel verwerpelijks op één hoop. ‘Fout’ werd in de jaren zestig, mede door Charles, ‘fascistisch’, maar daarmee breidde hij de term fascisme volgens Schuyt uit tot alles wat niet beviel, van het politiegeweld tegen provo’s tot en met de bombardementen op Vietnam. Een fascist is tegen subsidie voor moderne kunst, etc.

In zijn eerste essaybundel wees Charles op onveranderlijke kenmerken van het fascisme: de lust tot overmacht en de aanname van minderwaardigheid van andere groepen of individuen. Maar later noemde hij dit verschijnsel universeel en van alle tijden, waarmee hij het naar de mening van Schuyt ontdeed van zijn historische verschijningsvorm. Als het kwaad zo universeel aanwezig is in de mens, hoe herken je dan fascisten in het hier en nu? In een interview met de Haagse Post noemde Charles / prof. Nagel tien kenmerken, zoals: de voorkeur voor oranje-blanje-bleu, strenge straffen voor jeugdigen, een hekel hebben aan Karel Appel, voor de doodstraf zijn en de belastingen te hoog vinden. Daarmee maakte hij er inderdaad enigszins een kwestie van smaak van, al denk ik wel dat de verwerping van (abstracte, maar eigenlijk alle) kunst essentieel is. Kunst is volgens fascisten elitair, terwijl antifascisten menen dat kunst, al dan niet ‘toegankelijk’, behoort aan de mensheid als geheel.

Het antifascisme van Charles/Nagel lag in het verlengde van het illegale werk in de Tweede Wereldoorlog dat zijn leven in hoge mate heeft bepaald. ‘Ik verdom het’, dat was zijn motto. Schuyt licht de betekenis hiervan op een treffende manier toe. Het fascisme begint altijd met kleine, niet vervaarlijk uitziende maatregelen jegens bepaalde groepen. Zo worden bevolkingsgroepen tegen elkaar uitgespeeld en steeds in verwarring gebracht. Het begon tijdens de bezetting met de etnische registratie van joden, waaraan elke rechtsbasis ontbrak. Er vindt een juridische koppeling plaats van rechten en plichten: als je niet aan één verplichting voldoet in een bepaalde levenssfeer, verlies je rechten in een andere levenssfeer.

Op dit vlak was voor Charles geen concessie mogelijk. Geloof in de menselijke waardigheid, het besef dat bepaalde maatregelen gewoon niet mochten worden uitgevoerd en opstandigheid als dit wel gebeurde, was de aanleiding om ‘iets’ te doen, om eenvoudig ‘ik verdom het’ te zeggen en ernaar te handelen. Het fascisme is – hier volgde Charles de vooroorlogse waarschuwingen van Menno ter Braak – herkenbaar aan de rancune van zijn aanhang: de ‘anderen’ hebben het gedaan. In de samenvatting van Schuyt: „Rancune is herkenbaar aan het veelvuldig schelden op anderen, en het niet geïnteresseerd zijn in hoe zaken zouden kunnen worden verbeterd. Want als er verbeteringen zouden optreden, zou de bron van ergernis ineens wegvallen.”

Het moet me van het hart dat dit alles griezelig actueel aandoet. Schuyt merkt op dat Nagel eenzijdigheid kan worden verweten. Mogelijk stond zijn emotionele betrokkenheid bij het verzet een wetenschappelijke onthechting in de weg. Wellicht speelde zijn godsdienstige opvoeding met een absolute opvatting van de erfzonde hem parten. Hoe dan ook, J.B. Charles werd door menigeen beschouwd als een – zij het eerlijke – drammer. Een zwart-witdenker, geleid door primitieve woede.

Hij noemde een kat een kat, zoals de Fransen zeggen, of zoals Fortuyn zei: ik zeg wat ik denk. Hij noemde een fascist een fascist, ook al blijft over zijn mogelijk te ruime definitie van fascisme uiteraard discussie mogelijk. Misschien was hij een alarmist, die zijn doel soms voorbijschoot, doordraafde, overdreef.

Maar nu hebben wij met het omgekeerde te maken. Iedereen krijgt op het hart gedrukt dat het géén pas geeft de PVV fascistisch te noemen. Charles zou niet aarzelen zowel de PVV als de politieke islam dit etiket op te plakken. Maar zou dat zinvol zijn? Verduidelijkt het iets, heeft het betekenis in de huidige maatschappelijke omstandigheden, verheldert het de politieke context?

Misschien niet, maar nu wordt iedereen geacht op kousenvoeten te lopen en vooral niet te spreken van ‘fascistische ideeën’, hoogstens van ‘abjecte opvattingen’ waarover je van mening kunt verschillen. In een tijd, waarin wij gemaand worden zelfs niet te spreken over de republiek van Weimar en historische ervaringen uit het geheugen te bannen, zou Nederland een moreel kompas als dat van J.B. Charles goed kunnen gebruiken.

Reageren kan via nrc.nl/etty. Vermeld altijd uw naam. (Reacties worden openbaar na beoordeling voor de redactie.)