Het stuift weer op de roetroute

Staatsbosbeheer maakt van de nood een deugd. De bos- en heidebranden bij Schoorl brengen de natuur van vorige eeuw terug.

Hoe zwaar wil je het als boswachter hebben? Twaalf branden hebben afgelopen jaar gewoed in de natuur rondom het Noord-Hollandse Schoorl. En het einde lijkt nog niet in zicht. Zelfs tijdens zijn uitleg moet beheerder Jan van Assema van Staatsbosbeheer op zijn telefoon kijken. „Weer een melding”, vertelt hij. „Op dit moment rijdt een brandweerauto het gebied in.” Loos alarm, blijkt later.

Het begon ruim een jaar geleden met een brand die, volgens de boswachters, was aangestoken in het kantoor van Staatsbosbeheer in de duinen. Het gebouwtje is na herstel weer in gebruik. Er hangt nog een lichte brandlucht.

Landelijk nieuws was de brand in het natuurgebied zelf, op 28 augustus 2009, die het dorp Catrijp bedreigde en waarvoor 550 bewoners werden geëvacueerd. Negenhonderd brandweerlieden ontrolden tien kilometer brandslang, maar konden niet voorkomen dat de brand, waarschijnlijk op twee plaatsen aangestoken, zestig hectare heide en bos vernietigde. Het nablussen kostte een week.

Dit voorjaar werd nog een groot heideveld in het duingebied door brand verwoest. Ook toen werden omwonenden serieus door het vuur bedreigd. Boswachter Frans Erinkveld staat bij het Vogelmeer waar de brand ontstond, die zich met een ferme zuidwestenwind volgens een grillig patroon verplaatste tot vlak bij de bebouwing. Langs het meer zijn waardevolle heideveldjes verdwenen. „En die krijg je niet zomaar terug”, zegt Erinkveld. „De eerste plantjes groeien misschien over een paar jaar, maar om hetzelfde patroon van bomen en vlekken hei terug te krijgen, moeten we misschien wel veertig jaar wachten.”

Verderop heeft Staatsbosbeheer „van de nood een deugd gemaakt”. Een verbrand stuk bos van zes hectare is gekapt, zodat het zand weer straks kan stuiven, een van de manieren om meer landschappelijke variatie en meer biodiversiteit in dit Europees beschermde natuurgebied te krijgen. De verbrande bomen zijn afgevoerd, overgebleven twijgen, takjes en naalden weggeharkt met hulp van vrijwilligers en scholieren. Voor wandelaars is er de zeven kilometer lange roetroute.

Achter de toekomstige zandverstuiving ligt een veel groter stuk getroffen bos. Hier staan duizenden dode bomen die binnen enkele jaren op de grond vergaan, weggevreten door insekten, verzwakt door onder meer de grote bonte specht. Erinkveld wijst naar een gaatje in de bast van een geblakerde den, vervaardigd door boktorren en vergroot door een specht. „Die kan hier eindeloos insekten peuzelen. Voor de specht is dit bos een soort friettent geworden.”

De brand heeft het gebied, zoals boswachter Jeroen Pater omschrijft, „honderd jaar teruggezet”. Naar de tijd dat duinen konden stuiven en wandelen, de tijd vóór werklozen in de crisisjaren dennen plantten, als werkverschaffing en om omwonenden te beschermen tegen aanwaaiend zand. Het is, benadrukt Staatsbosbeheer, niet de bedoeling dat er straks opnieuw overlast van zand ontstaat. Erinkveld: „Als blijkt dat de dode bomen niet langer voldoende bescherming bieden, gaan we bijplanten.”